Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Afrikaanse velduil
Afrikaanse velduil | Asio capensis
Marsh Owl | Búho moro
Een middelgrote, egaal donkerbruine uil van moerassen en vochtig grasland, die in het gidsgebied alleen nog in Noordwest-Marokko broedt, in een geïsoleerde populatie (tingitanus) duizenden kilometers van de rest van de soort ten zuiden van de Sahara. Hij jaagt in de schemering laag boven het gras, als een kiekendief.
Geluid
Een rauw, krassend kraaak, als scheurend doek, vooral in de vlucht en rond het nest. Tijdens baltsvluchten klapt het mannetje met de vleugels.
Opname: Tony Archer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Bovendelen, kop en borst egaal donker aardbruin, buik lichter en fijn gebandeerd. De gezichtssluier is lichtbruin met donkere vlekken rond de donkerbruine ogen; de oorpluimen zijn kort en vaak nauwelijks zichtbaar. In de vlucht vallen de lange vleugels op, met een okergele vlek aan de basis van de handpennen, een donkere polsvlek en een gebandeerde vleugelpunt. De vlucht is traag en zwevend, met de vleugels in een ondiepe V.
Verwarringssoorten
De velduil (Asio flammeus), in de winter in hetzelfde gebied, is lichter en sterk gestreept, met gele ogen in donkere kringen, een witte achterrand aan de vleugel en lichtere onderdelen. De ransuil (Asio otus) heeft lange oorpluimen, oranje ogen en een gestreepte buik en jaagt zelden in open moeras. De kerkuil (Tyto alba) is veel lichter, goudgeel en wit.
Leefgebied
Moerasranden, natte graslanden en rietruigte rond lagunes en merja’s, overstromingsvlakten en vochtige weilanden en akkers aan de rand van wetlands. Broedt op de grond in hoog gras of tussen russen. Jaagt laag boven het gras op knaagdieren, grote insecten en kleine vogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied alleen in Noordwest-Marokko: vrijwel de hele populatie leeft rond de Merja Zerga en de omliggende wetlands, tussen de benedenloop van de Loukkos en Sidi Bou Ghaba. Vroeger verspreid van Tanger tot de moerassen van Sidi Moussa-Oualidia en landinwaarts tot rond Meknès, en historisch ook in Noordoost-Algerije (El Kala); daar sindsdien niet meer zeker vastgesteld. Recente losse waarnemingen ten zuiden van het broedgebied: Sidi Moussa (oktober 2014, de eerste sinds 1984), Casablanca (november 2015) en twee vogels bij Benslimane (augustus 2018). Daarbuiten wijdverspreid in Afrika ten zuiden van de Sahara en op Madagaskar.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Bij Moulay Bousselham aan de Merja Zerga jaagt hij bij zonsondergang boven de natte weilanden en ruigtes aan de oost- en zuidrand van de lagune; plaatselijke gidsen kennen de plekken. Ga in de laatste lichturen kijken, en loop niet door het hoge gras in het broedseizoen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in Marokko ernstig bedreigd: het areaal kromp sterk door het draineren van grote moerassen sinds de jaren vijftig en verdere aantasting van de resterende broedgebieden. De populatie is klein en vrijwel geheel afhankelijk van de Merja Zerga, waar overbegrazing, maaien, landbouw en verstoring het broeden bedreigen.
Wetenschappelijke naam
Asio capensis | (Smith, 1834)
Smith beschreef de soort in 1834 als Otus Capensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Asio werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Asio is de Latijnse naam van een uil met oorpluimen. capensis betekent 'van de Kaap', naar de Kaapkolonie in Zuid-Afrika, waar de soort werd beschreven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika.

