Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Afrikaanse vink
Afrikaanse vink | Fringilla spodiogenys
African Chaffinch | Pinzón magrebí
De afrikaanse vink is de vink van de Maghreb en Libië: een standvogel die van de cederbossen van de Atlas tot de olijfgaarden en palmentuinen van Tunesië voorkomt. Hij werd lang als ondersoort van de vink beschouwd, maar verschilt in kleed en geluid duidelijk.
Geluid
De zang lijkt op die van de vink, een versnellende reeks met een uithaal, maar klinkt doorgaans voller en eindigt minder nadrukkelijk. De roep is een metaalachtig tsjwiet of tsjink, anders dan het pink van de vink; in vlucht een zacht tsup.
Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14–16 cm. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop en nek met een smalle zwarte voorhoofdsband, zwarte teugels en een afgebroken witte oogring, een mosgroene mantel en stuit en een bleke, zalmroze borst die naar de buik toe wit wordt. De vleugel is zwart met een zeer brede witte schouder- en vleugelstreep; de buitenste staartpennen zijn wit. Het vrouwtje is grijsbruin met een groenige rug, een grijze kop en dezelfde brede witte vleugeltekening. Naar het oosten (Tunesië, Libië) worden de vogels bleker en grijzer van onderen.
Verwarringssoorten
De vink (Fringilla coelebs), in de winter in de Maghreb talrijk, heeft een kastanjebruine rug en een baksteenroze borst en mist de witte oogring; vrouwtjes zijn bruiner van kop en rug. De keep (Fringilla montifringilla) heeft een oranje borst en een witte stuit.
Leefgebied
Bergbos van ceder, steeneik, kurkeik, pijnboom en jeneverbes tot ruim 2500 m, en verder olijfgaarden, boomgaarden, parken, tuinen en in Tunesië en Libië ook palmentuinen van oases. Zoekt zaden en insecten op de grond en in bomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Marokko (Rif, Midden- en Hoge Atlas, Anti-Atlas, de kustvlakten en het noorden), het noorden van Algerije, Tunesië tot in de oases van het zuiden, en in Libië Tripolitanië en, geïsoleerd, de Djebel Akhdar in Cyrenaica. Buiten het gebied alleen op de Italiaanse eilanden Pantelleria en, als dwaalgast, Lampedusa.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de cederbossen van de Midden-Atlas, bijvoorbeeld rond Ifrane en Azrou, is hij een van de meest gehoorde zangvogels; in Tunesië komt hij in elke olijfgaard en elke oase voor en is hij makkelijk van dichtbij te zien.
Staat van instandhouding
Niet afzonderlijk door de IUCN beoordeeld, omdat de soort pas recent als aparte soort wordt erkend. Wijdverspreid en talrijk in een groot areaal en vermoedelijk niet bedreigd; achteruitgang van bergbos in de Atlas en ontbossing in Cyrenaica zijn de voornaamste aandachtspunten.
Wetenschappelijke naam
Fringilla spodiogenys | Bonaparte, 1841
Bonaparte beschreef de soort in 1841 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fringilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Fringilla is het Latijnse woord voor 'vink'. spodiogenys is Grieks voor 'met asgrauwe wangen', van spodios 'asgrauw' en genys 'wang'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sfax in Tunesië.


