Alle soorten › Zangvogels › Boomklevers › Algerijnse boomklever

Algerijnse boomklever | Sitta ledanti

Algerian Nuthatch | Trepador de Kabilia

De Algerijnse boomklever is de enige vogelsoort die alleen in Algerije voorkomt, en een van de jongste ontdekkingen onder de Europese en Noord-Afrikaanse vogels: hij werd in 1975 door Jean-Paul Ledant op de Djebel Babor in Klein-Kabylië gevonden en een jaar later beschreven. Een kleine, stille klever van koele bergbossen met ceder, spar en eik, met een minuscuul en versnipperd verspreidingsgebied.

Algerijnse boomklever (Sitta ledanti)
Foto: Karim Haddad — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Nasaal en herhalend. De gewone roep is een reeks korte, blikkerige tonen, wit-wit-wit, en een gerekt, klaaglijk tsjèèh, het meest kenmerkende geluid. De zang is een snelle reeks van vijf tot tien gelijke, nasale tonen, dju-dju-dju-dju, in het voorjaar het beste hulpmiddel om de soort te vinden.

Luister: ZangXC975030

Opname: Karim Haddad — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11,5–12,5 cm. Klein en compact, met een vrij korte staart en een rechte, spitse snavel. Bovendelen blauwgrijs; onderdelen warm roze-beige, bij het mannetje het warmst. Het mannetje heeft een zwarte voorkruin die scherp afsteekt tegen een brede witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep; bij het vrouwtje is de voorkruin grijs en de oogstreep doffer. Kin en keel zijn wittig. Klimt als elke klever ook kopover langs stammen omlaag.

Verwarrings­soorten

In zijn eigen bossen is er geen tweede klever: de boomklever (Sitta europaea) bereikt Klein-Kabylië niet, is groter, mist de zwarte pet met witte wenkbrauw en heeft roestrode flanken. De Turkse boomklever (Sitta krueperi), van Turkije en Lesbos, lijkt sterk maar heeft een roestrode borstvlek; hij komt in het gidsgebied niet voor. De boomkruiper (Certhia brachydactyla) deelt het bos, maar is bruin gevlekt, klimt alleen omhoog met steun van een stijve staart en heeft een gebogen snaveltje. Zwarte mees (Periparus ater) en Afrikaanse pimpelmees (Cyanistes teneriffae) zijn even klein, maar klimmen niet tegen de bast op.

Leefgebied

Koele, vochtige bergbossen tussen ongeveer 350 en 2000 m: op de Djebel Babor gemengd bos van Atlasceder, Numidische zilverspar (Abies numidica) en eik; in de lagere bossen van Guerrouch, Tamentout en Djimla vooral zeen- en afareseik (Quercus canariensis, Q. afares) en kurkeik. Zoekt insecten en spinnen op stammen en takken en legt in het najaar voorraden zaden aan (vooral van ceder en spar). Nestelt in een boomholte, vaak een oude spechtenholte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Uitsluitend in het noordoosten van Algerije, in het gebergte van Klein-Kabylië (de Babors) in de provincies Béjaïa, Jijel en Sétif. Bekend van de Djebel Babor (1975), het bos van Guerrouch in en rond het Nationaal Park Taza (1989), en de bossen van Tamentout en Djimla (1990); in 2018 werd een vijfde vindplaats gevonden in het bos Ghabet Ezzen, tussen Chahna en Oudjana (Jijel), zo’n 10 km ten noorden van Djimla. Komt nergens anders ter wereld voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het bos van Guerrouch in het Nationaal Park Taza, bij Jijel, is het best bereikbaar en herbergt de grootste populatie; luister in april en mei vroeg in de ochtend naar de zang en het nasale tsjèèh in de kronen van oude eiken. De Djebel Babor zelf is hoger en ruiger, met ceder en spar op de top.

Staat van instandhouding

Bedreigd. De wereldpopulatie wordt geschat op hooguit enkele duizenden vogels, verdeeld over een handvol geïsoleerde bossen, en neemt af. Bedreigingen zijn bosbranden, kap, overbegrazing door vee dat de verjonging van ceder en spar opeet, en op langere termijn de opwarming die de koele bergbossen doet krimpen. Alleen een deel van het leefgebied is beschermd, onder meer in het Nationaal Park Taza.

Wetenschappelijke naam

Sitta ledanti | Vielliard, 1976

Vielliard beschreef de soort in 1976 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sitta werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Sitta is de Oudgriekse naam sittē voor de boomklever. ledanti eert de Belgische natuuronderzoeker Jean-Paul Ledant, die de vogel in oktober 1975 in Kabylië ontdekte en hem la Sittelle kabyle noemde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Djebel Babor in Algerije.