Alle soorten › Zangvogels › Boomklevers › Boomklever
Boomklever | Sitta europaea
Eurasian Nuthatch | Trepador azul
De boomklever is in het gidsgebied een vogel van de koele bergbossen: de ceder- en eikenbossen van de Atlas en de Rif in de Maghreb, en de eikenbossen van Koerdistan in Noord-Irak. In de woestijn en de laagvlakte ontbreekt hij volledig, en als echte standvogel trekt hij nergens heen. Luid, nieuwsgierig en de enige vogel in die bossen die kopover langs een stam afdaalt.
Geluid
Luid, helder en ver dragend. De gewone roep is een krachtig, vaak tweemaal herhaald twiet-twiet, dat bij opwinding versnelt tot een ratelende reeks; bij alarm een snerpend tsjirrrr. De zang, vooral van januari tot april, bestaat uit reeksen heldere fluittonen, traag pjuu-pjuu-pjuu of snel en trillerachtig wiwiwiwiwi.
Opname: Beatrix Saadi-Varchmin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–14,5 cm. Compact, met een grote kop, een korte staart en een rechte, spitse snavel. Bovendelen blauwgrijs, met een zwarte oogstreep van snavel tot halszijde; keel en wangen wit. De Noord-Afrikaanse vorm hispaniensis is onder bleek okerbeige met roestbruine flanken en onderstaartdekveren, bij het mannetje het donkerst; de vorm persica in Noord-Irak is onder veel witter, met alleen roestbruin aan flanken en onderstaart. De staart heeft witte vlekken op de buitenste veren, zichtbaar bij het uitspreiden.
Verwarringssoorten
De algerijnse boomklever (Sitta ledanti) is kleiner, heeft een zwarte voorkruin met een brede witte wenkbrauw en geen roestbruine flanken; hij leeft in Klein-Kabylië, buiten het bereik van de boomklever. De rotsklever (Sitta neumayer) en de grote rotsboomklever (Sitta tephronota) zijn bleker grijs, missen de witte staartvlekken en leven op rotsen, al raken bos en rots in Noord-Irak elkaar. De boomkruiper (Certhia brachydactyla) is bruin gestreept, klimt alleen omhoog met steun van de staart en heeft een gebogen snavel.
Leefgebied
Volwassen loof- en gemengd bos met oude bomen: in de Maghreb ceder-, eiken- en kurkeikenbos, ook met Atlasspar en den, tot ongeveer 2400 m in de Hoge Atlas; in Noord-Irak de eikenbossen van het Koerdische bergland. Plaatselijk in grote oude parken en boomgaarden in het bos. Eet insecten en spinnen, en ’s winters noten, eikels en zaden, die hij in schorsspleten klemt om ze open te hakken. Nestelt in een boomholte waarvan hij de ingang met modder verkleint.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Noord-Afrika de vorm hispaniensis: in Marokko in de Rif, de Middel-Atlas, de Hoge Atlas en de bossen van het noordelijk binnenland (onder meer Tazekka en het bos van Maâmora), in het noorden van Algerije in de bossen van de Tell-Atlas, en in Noord-Tunesië in de Kroumirie en de Mogods. In het Midden-Oosten alleen de vorm persica in de eikenbossen van Koerdistan in Noord-Irak, aansluitend op de Zagros in Iran; een voorkomen in het uiterste noorden van Syrië is mogelijk maar slecht gedocumenteerd. Ontbreekt in Libië, Egypte, Arabië en de zuidelijke Levant. Daarbuiten van Europa en Turkije door heel de gematigde zone van Azië tot Japan.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de cederbossen rond Ifrane en Azrou in de Middel-Atlas is de boomklever een van de luidste vogels; de picknickplaatsen bij de ‘Cèdre Gouraud’ zijn een klassieke plek, waar hij samen met de Afrikaanse pimpelmees en de Levaillants specht te zien is. In Tunesië in de kurkeikenbossen rond Aïn Draham.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Noord-Afrika gebonden aan bos met oude bomen, en daardoor gevoelig voor kap, bosbranden en overbegrazing die de cederbossen van de Atlas uitdunnen; de stand in Marokko is plaatselijk achteruitgegaan maar de soort is er nog wijdverbreid. Over de Iraakse vogels is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Sitta europaea | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sitta voerde hij in datzelfde werk in. Sitta is de Oudgriekse naam sittē voor de boomklever. europaea is Latijn voor 'Europees', naar het uitgestrekte verspreidingsgebied over het werelddeel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.

