Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Alk

Alk | Alca torda

Razorbill | Alca común

De alkachtige die het verst de Middellandse Zee in trekt: elke winter zakken Britse, Ierse en Scandinavische alken af naar de Straat van Gibraltar en de kusten van de Maghreb. Daar vormt hij, laag over het water zoemend of duikend tussen de golven, een onverwacht noordelijk element in de Noord-Afrikaanse winter.

Alk (Alca torda)
Foto: jack_spellingbacon from Scotland — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter vrijwel altijd stil. In de broedkolonies klinkt een laag, knorrend orrrr; in het gidsgebied hoor je hem niet.

Luister: RoepXC1087304

Opname: Roland Arnison — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Bovendelen gitzwart, duidelijk donkerder dan het chocoladebruin van de zeekoet, met een hoge, zijdelings afgeplatte, stompe snavel. In winterkleed, het kleed dat je in het gidsgebied ziet, zijn keel en wangen wit tot achter het oog, zonder donkere wangstreep; de witte dwarsstreep over de snavel blijft zichtbaar. De staart is lang en spits en wordt op het water vaak opgeheven; in vlucht steekt hij voorbij de poten. In vlucht: snelle zoemende slagen laag over het water, een witte achterrand aan de arm en een witte ondervleugel. Eerstejaars hebben een kleinere snavel zonder witte streep.

Verwarrings­soorten

De zeekoet (Uria aalge) is bruiner en slanker, met een rechte, dolkvormige snavel, een korte staart waar de poten in vlucht voorbij steken, en in winterkleed een donkere streep achter het oog. De papegaaiduiker (Fratercula arctica) is kleiner en ronder, met een donkere ondervleugel. Op afstand kunnen zwarte zee-eenden (Melanitta nigra) of aalscholvers (Phalacrocorax carbo) op het water verwarring geven, maar geen van beide heeft een witte onderkant.

Leefgebied

Kustwateren en open zee boven het continentaal plat, ook in baaien en havenmondingen; duikt naar kleine scholvissen zoals sardines en ansjovis. Na stormen soms binnen havens of aangespoeld op stranden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Marokko: geregelde wintergast van november tot maart, het talrijkst in de Straat van Gibraltar, de Alboránzee en voor de Middellandse Zeekust tot de Moulouya, en langs de Atlantische kust zuidwaarts tot rond Agadir, verder naar het zuiden schaars. Algerije: geregelde wintergast langs de hele kust, vooral in het westen. Tunesië: in kleinere aantallen langs de noordkust, onder meer in de Golf van Tunis; zeldzaam in de Golf van Gabès. Libië: zeldzaam. Egypte, Israël en Libanon: zeer zeldzame dwaalgast. Broedt rond de Noord-Atlantische Oceaan, van Bretagne en de Britse Eilanden tot IJsland, Noorwegen, de Oostzee, Groenland en Oost-Canada; Europese vogels overwinteren van de Noordzee tot in de westelijke Middellandse Zee.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De veerboten tussen Tanger en Algeciras of Tarifa zijn in januari en februari een uitstekend platform; ook vanaf de kapen rond Tanger en Ceuta zie je groepjes laag over het water trekken. Let in de Straat op het verschil met de schaarsere zeekoet en papegaaiduiker.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar het grootste deel van de wereldpopulatie broedt op IJsland, waar de aantallen schommelen met het voedselaanbod. In de winterkwartieren zijn olievervuiling en bijvangst in kieuwnetten de belangrijkste bedreigingen, ook in de Straat van Gibraltar met zijn drukke scheepvaart.

Wetenschappelijke naam

Alca torda | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Alca voerde hij in datzelfde werk in. Alca komt uit het Noors: alke, de naam van deze vogel. torda gaat terug op törd, een Zweeds dialectwoord van Gotland voor dezelfde vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Zweden.