Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Zeekoet

Zeekoet | Uria aalge

Common Murre | Arao común

De talrijkste alkachtige van de Noord-Atlantische Oceaan, die in Europa met honderdduizenden de kliffen bezet, is in het gidsgebied een zeldzaamheid. Een enkele vogel bereikt in de winter de Straat van Gibraltar of de Marokkaanse Atlantische kust, vaak verzwakt na een storm of besmeurd met olie.

Zeekoet (Uria aalge)
Foto: DickDaniels (http://carolinabirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de kolonie zwijgzaam. Op de broedkliffen klinkt een aanhoudend, grommend aarrrr van honderden vogels tegelijk; in het gidsgebied hoor je hem niet.

Luister: ZangXC1019244

Opname: Sven Normant — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Slanker en langgerekter dan de alk, met een rechte, dolkvormige snavel. Bovendelen donker chocoladebruin, in fel licht duidelijk warmer dan het gitzwart van de alk; flanken met fijne bruine streepjes. In winterkleed zijn gezicht en keel wit, met één beslissend kenmerk: een donkere streep die vanaf het oog dwars door de witte wang naar achteren loopt. Noordelijke vogels tonen soms de geringde vorm, met een witte oogring en een witte lijn naar achteren. In vlucht steken de poten voorbij de korte staart uit; de arm heeft een witte achterrand en de ondervleugel is wit.

Verwarrings­soorten

De alk (Alca torda), in het gidsgebied veel waarschijnlijker, is zwarter, met een hoge stompe snavel, een lange spitse staart en in winterkleed een witte wang zonder oogstreep. De papegaaiduiker (Fratercula arctica) is veel kleiner en heeft een donkere ondervleugel. Duikers zoals de parelduiker (Gavia arctica) zijn veel groter, met een langere hals en een lager liggend lichaam.

Leefgebied

Kustwateren en open zee boven het continentaal plat, waar hij diep duikt naar scholvissen. Dwaalgasten in het gidsgebied zijn meestal vlak bij de kust, in havens of op het strand gevonden, vaak verzwakt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Marokko: zeldzame wintergast, met een handvol gevallen in de Straat van Gibraltar en langs de noordelijke Atlantische kust, meestal tussen november en februari en vaak als verzwakte of aangespoelde vogel; zuidelijker zijn geen zekere gevallen bekend. Algerije en Tunesië: zeer zeldzaam, met slechts enkele oude meldingen. Uit de rest van het gidsgebied zijn geen gevallen bekend. Broedt rond de noordelijke Atlantische en de Grote Oceaan, in Europa van Portugal en Bretagne, waar de populaties bijna verdwenen zijn, tot de Britse Eilanden, IJsland, Noorwegen en de Oostzee; overwintert grotendeels in de buurt van de broedgebieden, zuidwaarts tot de Golf van Biskaje en Portugal.

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de Straat van Gibraltar in de winter tussen de alken naar een bruinere, slankere vogel met een donkere oogstreep. Controleer na winterstormen de vloedlijn van de stranden rond Tanger en Asilah op aangespoelde alkachtigen, en meld zekere gevallen bij het Marokkaanse zeldzaamhedencomité.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en met miljoenen vogels nog zeer talrijk, maar de zuidelijkste kolonies in Portugal en Spanje zijn vrijwel verdwenen, en in de Noordzee en de noordoostelijke Atlantische Oceaan lijdt de soort onder voedseltekort, olieslachtoffers en bijvangst in kieuwnetten. In het gidsgebied is hij te zeldzaam om specifieke bedreigingen te noemen.

Wetenschappelijke naam

Uria aalge | (Pontoppidan, 1763)

Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Colymbus aalge; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Uria werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Uria gaat terug op het Oudgriekse ouria, een watervogel die bij Athenaeus wordt genoemd. aalge is een oud Deens woord voor een alk. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit IJsland.