Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Noddy

Noddy | Anous stolidus

Brown Noddy | Tiñosa común

Een donkerbruine, tropische stern met een witachtige kap, die vrijwel zijn hele leven op zee doorbrengt. In het gidsgebied broedt hij op koraaleilandjes in het zuiden van de Rode Zee en de Golf van Aden; noordelijker en in de Arabische Zee en de Golf van Oman is hij een schaarse gast.

Noddy (Anous stolidus)
Foto: No machine-readable author provided. WilliamBKH assumed (based on copyright claims). — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie een laag, krassend karrk of kwok en een rollend gekoer; op zee meestal zwijgend.

Luister: DuetXC713908

Opname: Alexander Schlatmann — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Geheel chocoladebruin, met een grijswitte kap die naar achteren in de nek grijs vervloeit en scherp begrensd is tegen de zwarte teugel; een smal wit halve-maantje onder en boven het oog. Snavel zwart, vrij krachtig en licht gebogen; poten zwartbruin. De staart is lang en wigvormig, met in het midden een kleine inkeping, en wordt in vlucht vaak gespreid. Jonge vogels hebben een bruinere, minder afgetekende kap en lichte veerranden op de bovendelen. Vliegt laag over zee met rustige slagen en afwisselend glijvluchten.

Verwarrings­soorten

De kleine noddy (Anous tenuirostris) is kleiner en slanker, met een dunnere, langere snavel, een lichtere grijze kap die geleidelijk in de nek overloopt en minder contrast tussen kap en voorhoofd; de bovenvleugeldekveren tonen bij de noddy een lichtere bruine baan, bij de kleine noddy nauwelijks. Jonge bonte sterns (Onychoprion fuscatus) zijn ook donkerbruin, maar hebben een witte buik en onderstaartdekveren en een gevorkte staart. De Hemprichs meeuw (Ichthyaetus hemprichii) is veel groter met een zware, tweekleurige snavel.

Leefgebied

Warme, open zee boven koraalriffen en scholen kleine vis. Broedt op kale of begroeide koraaleilandjes en rotseilanden, met het nest op de grond, op rotsrichels of laag in struiken. Rust op boeien, wrakken, palen en drijvend hout; ver van de kust alleen bij veel voedsel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in de zomer op eilanden in het zuiden van de Rode Zee, aan de Saoedische en Jemenitische kant (onder meer in de Farasan-archipel en voor de kust van Tihama), en in de Golf van Aden. In de noordelijke Rode Zee en langs de Egyptische kust schaars, vooral in de nazomer. In de Arabische Zee een schaarse gast langs de kust van Oman en rond Socotra; in de Golf van Oman zeldzaam, met waarnemingen voor de oostkust van de Emiraten bij Dibba. Dwaalgast in Israël (Eilat) en de Perzische Golf. Daarbuiten broedt hij op tropische eilanden in alle oceanen, in de Indische Oceaan van de Seychellen tot West-Australië.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bootuitstapjes vanuit Jizan naar de Farasan-eilanden geven in de zomer de beste kans op broedvogels. In de Emiraten zitten ze soms op de kooien van de viskwekerijen voor Ras Dibba, samen met kleine noddy's, vooral van juli tot oktober.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en algemeen. In de Rode Zee zijn de kolonies kwetsbaar voor verstoring door bezoekers en vissers, het rapen van eieren, ingevoerde ratten en kustontwikkeling; veel broedeilanden liggen gelukkig in beschermde gebieden zoals de Farasan-eilanden.

Wetenschappelijke naam

Anous stolidus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Sterna stolida; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anous werd in 1826 ingevoerd door Stephens. Anous is Grieks voor 'dom, onnozel' — naar de tamheid waarmee noddy's zich door zeelieden lieten benaderen en vangen. stolidus is Latijn voor 'dom, onnozel' — naar de tamheid van de vogels, die zich op zee gemakkelijk lieten vangen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit West-Indië.