Alle soorten › Zangvogels › Heggenmussen › Alpenheggenmus

Alpenheggenmus | Prunella collaris

Alpine Accentor | Acentor alpino

De alpenheggenmus is de heggenmus van de kale toppen: een forse, grijze vogel met roestbruine flanken die boven de boomgrens tussen rotsblokken en kort gras rondloopt. In het gidsgebied broedt hij in de Hoge Atlas en in de bergen van Koerdistan; in de winter verschijnen groepjes op de Hermon en in de hoge bergen van Libanon, vaak verrassend tam bij skiliften en berghutten.

Alpenheggenmus (Prunella collaris)
Foto: Lucas Benaiche — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een vrij lange, rollende, leeuwerikachtige strofe van heldere, rinkelende tonen, vanaf een rotsblok of in een korte zangvlucht. De roep is een rollend tsjirrup of een wat nasaal drüü, in de wind ver hoorbaar.

Luister: VluchtroepXC982627

Opname: Benjamin Drillat — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–17,5 cm. Groot en gedrongen voor een heggenmus, meer een kleine lijster van postuur, met een zware kop en een vrij korte staart. Kop, keel en borst grijs; de keel wit met een dichte, fijne zwarte spikkeling, als een klein geblokt slabbetje. Flanken en zijborst met brede roestbruine strepen die op afstand een warm oranjebruin veld vormen. Rug grijsbruin met donkere strepen; op de gevouwen vleugel een zwart veld met twee rijen witte stippen, en witte punten aan de staartveren. De snavel is dun en spits, donker met een helder gele basis aan de ondersnavel; de poten zijn oranjerood. Geslachten gelijk; jonge vogels valer, met een minder duidelijk gespikkelde keel. Loopt met verende passen over rots en zode.

Verwarrings­soorten

De heggenmus (Prunella modularis), die in dezelfde bergen overwintert, is duidelijk kleiner en slanker, met een effen leigrijze keel, geen roestbruine flanken, geen witte vleugelstippen en een geheel donkere snavel. De steenheggenmus (Prunella ocularis) in Koerdistan heeft een donkere kop met een brede roomwitte wenkbrauwstreep. De rotsmus (Petronia petronia) heeft een dikke kegelsnavel, een lichte kruinstreep en een gele keelvlek. De waterpieper (Anthus spinoletta) en de strandleeuwerik (Eremophila alpestris) lopen in hetzelfde terrein, maar zijn slanker, langerstaartig en missen de grijze kop met geblokte keel.

Leefgebied

Kaal, rotsig hooggebergte boven de boomgrens: puinhellingen, rotswanden met richels, steenvelden en kort alpien grasland, in de Hoge Atlas vooral boven 2500 m tot op de toppen. Eet in de zomer insecten en spinnen, in de winter vooral zaden. In de winter lager op zonnige rotshellingen en in kloven, en graag rond skistations, berghutten en bergdorpen, waar hij kruimels oppikt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Noord-Afrika broedt de vorm collaris in de Hoge Atlas van Marokko (Toubkal-massief, Oukaïmeden, Jbel Ayachi) en plaatselijk in de Middel-Atlas; in Noord-Algerije (Djurdjura, Aurès) vooral in de winter vastgesteld, broeden is daar niet zeker. In het Midden-Oosten de vorm montana: broedt waarschijnlijk in de hoogste bergen van Iraaks Koerdistan en is in de winter geregeld op de Hermon (Israël, Syrië), in de bergen van Libanon en in het Anti-Libanongebergte; verder naar het zuiden een dwaalgast. Daarbuiten broedt de soort in de gebergten van Zuid-Europa, Turkije, de Kaukasus en Iran tot in de Himalaya en Japan.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Marokko in de zomer bij het skistation van Oukaïmeden en op de paden naar de Toubkal boven Imlil, waar de vogels vaak bij de hutten foerageren. In de winter (december tot maart) op de Hermon rond het skistation: groepjes lopen dan tussen de sneeuwplekken en de parkeerplaats, en zijn weinig schuw.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in het grootste deel van het areaal stabiel. In het gidsgebied zijn de broedpopulaties klein en geïsoleerd, vooral die van de Hoge Atlas, en daardoor gevoelig voor opwarming, waarbij het open steenveld krimpt, en voor overbegrazing en toenemende verstoring in de bergen. Over de aantallen in Koerdistan is weinig bekend.

Wetenschappelijke naam

Prunella collaris | (Scopoli, 1769)

Scopoli beschreef de soort in 1769 als Sturnus collaris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Prunella werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Prunella komt van het Duitse Braunelle, de naam voor de heggenmus, een verkleinvorm van braun 'bruin'. collaris is Latijn voor 'met een halsband', van collum 'hals'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Karinthië in Oostenrijk.