Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Atlasgrasmus
Atlasgrasmus | Curruca deserticola
Tristram's Warbler | Curruca del Atlas
De Atlasgrasmus is de grasmus van de Maghreb bij uitstek: zijn hele wereldareaal ligt binnen het gidsgebied, in de bergen van Marokko, Algerije en Tunesië. Een klein, langstaartig grasmusje met een roestrode vleugel en een warme oranjebruine onderkant, dat in de zomer in het berg- en jeneverbesstruweel broedt en in de winter afdaalt naar de woestijnrand.
Geluid
Een snel, hoog en zoet strofetje van twee tot drie seconden, voller en muzikaler dan dat van de westelijke baardgrasmus, gezongen vanaf een lage struik of in een kort zangvluchtje. De roep is het nuttigste kenmerk: een droog, hard tsjet, vaak verdubbeld, en een snorrend trrrt bij onrust. Zingt in de lagere gebieden vanaf februari, in het hooggebergte pas vanaf april.
Opname: Guido O. Keijl — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
11,5–12,5 cm. Klein en slank met een lange, getrapte staart met witte buitenste pennen, die vaak schuin omhoog wordt gehouden. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop met een oranjerode oogring en een korte witte baardstreep, en een roestig oranjebruine onderkant van keel tot buik zonder scherpe grens. De mantel is warm bruin en de vleugel draagt een breed roestrood paneel van brede zomen aan armpennen en tertials. Poten oranje tot vleeskleurig. Het vrouwtje is valer, met een grijsbruine kop, een okerkleurige oogring en een zachte oranjebeige borst, maar met hetzelfde roestrode vleugelpaneel.
Verwarringssoorten
De westelijke baardgrasmus (Curruca iberiae) trekt in maart en april door hetzelfde struweel en heeft eveneens een grijze kop, rode oogring en witte baardstreep, maar een egaal grijsbruine vleugel zonder roestrood en een witte buik onder de gekleurde borst. De brilgrasmus (Curruca conspicillata) heeft ook een roestrode vleugel, maar een donker masker met een witte oogring, een witte keel en een kortere staart, en zit lager in vlak terrein. De Provençaalse grasmus (Curruca undata) is donker leigrijs boven en wijnrood onder, met witte spikkeltjes op de keel en geen roestrood in de vleugel.
Leefgebied
In de broedtijd open berg- en hellingstruweel tussen ongeveer 1000 en 2500 m: jeneverbes, steeneik, buxus, rozemarijn en Genista, vaak op steile, rotsige hellingen en in open bos van Atlasceder of Aleppoden. In de winter ook lager, in het struweel van de alfa-steppe, in wadi's met tamarisk en in de oasen aan de rand van de Sahara.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Endemisch voor de Maghreb. In Marokko in de Middel-Atlas, de Hoge Atlas en de Anti-Atlas, met een uitloper in het oostelijk hoogland; in Algerije in de Tell-Atlas, de Sahara-Atlas en het Aurèsgebergte; in Tunesië in de Dorsale en het westelijk hoogland. In Noordwest-Libië (Jebel Nafusa) hooguit schaars en weinig bekend. In de winter verspreiden vogels zich naar het laagland, de zuidhellingen en de noordrand van de Sahara, tot in het zuiden van Marokko, de Westelijke Sahara en Noord-Algerije. Buiten de Maghreb vrijwel nooit vastgesteld.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Marokko is de soort goed te vinden in het jeneverbesstruweel van de Middel-Atlas rond Ifrane en Zeida, bij de Tizi n'Tichka in de Hoge Atlas en in de kloof van de Todra; in de winter in het struweel rond Ouarzazate, Boumalne en Erfoud. In Tunesië bij de Djebel Chambi. Luister naar het harde tsjet.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Plaatselijk gewoon, maar ongelijk verspreid; gevoelig voor overbegrazing, brandhoutkap en het verdwijnen van berg- en jeneverbesstruweel. Als bijna geheel endemische soort van de Maghreb heeft het gidsgebied een bijzondere verantwoordelijkheid voor deze soort.
Wetenschappelijke naam
Curruca deserticola | (Tristram, 1859) (GBIF: Sylvia deserticola)
Tristram beschreef de soort in 1859 als Sylvia deserticola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. deserticola is Latijn, van desertum 'woestijn' en -cola 'bewoner': woestijnbewoner. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Sahara in zuidelijk Algerije.


