Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Westelijke orpheusgrasmus

Westelijke orpheusgrasmus | Curruca hortensis

Western Orphean Warbler | Curruca mirlona occidental

De westelijke orpheusgrasmus is een grote, donkerkoppige grasmus van open bos en boomgaarden in de Maghreb. In de broedtijd is hij in Marokko, Algerije en Tunesië wijdverbreid maar verrassend onopvallend, en verraadt hij zich vooral door zijn rustige, fluitende zang. In de winter trekt hij naar de Sahel.

Westelijke orpheusgrasmus (Curruca hortensis)
Foto: Mourad Harzallah — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit korte, heldere fluitmotiefjes die twee tot vier keer worden herhaald, gescheiden door duidelijke pauzes, zoals tjuu-ri tjuu-ri tjuu-ri: rustig en lijsterachtig. De roep is een hard tek, bij onraad een ratelend trrr.

Luister: ZangXC1158303

Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm. Fors, met een lange, zware, spitse snavel en een lange staart met witte buitenranden. Het mannetje heeft een donkergrijze tot zwartige kap die tot onder het oog doorloopt en contrasteert met een witte keel; de iris is bij oude vogels lichtgeel tot wittig. Bovendelen grijs tot grijsbruin, onderdelen wit met een roomkleurige tot vaal roze waas op borst en flanken. Vrouwtjes en jonge vogels hebben een vale, grijsbruine kop zonder scherp contrast en een donker oog. Poten donker.

Verwarrings­soorten

De oostelijke orpheusgrasmus (Curruca crassirostris) is in het gebied alleen in het oosten te verwachten; hij heeft een zwartere kap, schonere witte onderdelen en een langere, gevarieerder zang. De kleine zwartkop (Curruca melanocephala) is veel kleiner, met een rode oogring, een glanzend zwarte kap en een kortere snavel. Het mannetje van de zwartkop (Sylvia atricapilla) heeft alleen een pet boven het oog en geen wit in de staart. Jonge sperwergrasmussen (Curruca nisoria) hebben lichte vleugelranden en geen donkere kop.

Leefgebied

Open, droog bos en struweel met verspreide bomen: lichte eiken-, thuja- en jeneverbesbossen, arganbos in Zuidwest-Marokko, olijfgaarden, amandel- en andere boomgaarden en struikrijke berghellingen tot ongeveer 2000 m in de Atlas; ook boomrijke delen van de hoogvlakten. Zoekt traag en verborgen in de kronen naar insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Zomergast in Marokko, van de Rif en de Atlantische laagvlakte door de Middel- en Hoge Atlas en de Anti-Atlas tot het arganbos rond Agadir; in het noorden van Algerije, inclusief de Saharaatlas, en in het noorden en midden van Tunesië; in Noordwest-Libië (Jebel Nafusa) mogelijk een schaarse broedvogel. Op de trek, in maart–april en augustus–september, door de Sahara en de oases aan de woestijnrand. Overwintert in de Sahel, van Senegal en Mali tot Tsjaad. Daarbuiten broedt hij op het Iberisch Schiereiland, in Zuid-Frankrijk en in Italië.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in mei in de olijfgaarden en het open eikenbos van de Middel-Atlas bij Azrou of in het arganbos ten oosten van Agadir; de rustige, herhaalde fluitmotiefjes vanaf een boomtop zijn het beste aanknopingspunt. Hij zit vaak hoog en stil in de kroon en is daar lastig te zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In Europa achteruitgegaan door het verdwijnen van extensieve boomgaarden en olijfgaarden en door insecticidengebruik; in de Maghreb plaatselijk door de omzetting van open bos in akkerland en de achteruitgang van het arganbos. De westelijke en oostelijke orpheusgrasmus worden tegenwoordig algemeen als aparte soorten behandeld.

Wetenschappelijke naam

Curruca hortensis | (Gmelin, 1789) (GBIF: Sylvia hortensis)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla hortensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. hortensis is Latijn voor 'van de tuin', van hortus 'tuin'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.