Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Westelijke baardgrasmus
Westelijke baardgrasmus | Curruca iberiae
Western Subalpine Warbler | Curruca carrasqueña
De westelijke baardgrasmus is de baardgrasmus van de Maghreb: een talrijke zomergast van de struwelen in de Atlas en het Tell, en in het voorjaar een van de gewoonste trekvogels in de oases van de Sahara. De Noord-Afrikaanse vogels (inornata) vormen een eigen ondersoort naast die van Iberië en Zuid-Frankrijk.
Geluid
De roep is een hard, droog, eenlettergrepig tek, vaak in korte reeksen, als het tikken van een braamsluiper. De zang is een snelle, gelijkmatige en vrij muzikale babbel van twee tot drie seconden, vanaf een struiktop of in een kort zangvluchtje.
Opname: Xavier Riera — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm. Klein en langstaartig, met een oranjerode oogring. Het mannetje is leigrijs boven met een bruinige zweem en heeft van kin tot buik een warme oranje baksteenkleur die zonder scherpe grens uitdooft; de witte baardstreep is smal. De Noord-Afrikaanse vogels zijn wat bleker en egaler oranje, met een nog zwakkere baardstreep. Op de een-na-buitenste staartpen een vierkant wit puntje; de handpenprojectie is kort. Het vrouwtje is bruingrijs boven en roomwit met een rozige waas onder, met de roodachtige oogring.
Verwarringssoorten
De balkanbaardgrasmus (Curruca cantillans), die in Tunesië en Libië doortrekt, heeft een dieper baksteenrode keel en borst die scherp tegen een witte buik afsteken, een bredere baardstreep, een langere handpenprojectie en een smalle witte wig op de een-na-buitenste staartpen. Moltoni's baardgrasmus (Curruca subalpina), hier een dwaalgast, is bleker zalmroze en ratelt. De brilgrasmus (Curruca conspicillata) heeft een witte oogring, donkere teugels en een roodbruine vleugel; de grasmus (Curruca communis) is groter, met een breed roestbruin vleugelpaneel en zonder rode oogring.
Leefgebied
Broedt in maquis, garrigue en dicht struweel van steeneik, jeneverbes, cistus en brem, in lichte bossen en op hellingen, van zeeniveau tot ruim 2000 m in de Atlas. Op de trek in elk struweel, en vooral in oases, dadelpalmtuinen en tamarisken in de Sahara.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Marokko in het noorden, het Rifgebergte, de Midden- en Hoge Atlas, in Noord-Algerije in de Tell-Atlas en de Sahara-Atlas, in Noord- en Midden-Tunesië en in het noordwesten van Libië. Op de trek in de hele noordwestelijke Sahara, van de Westelijke Sahara en Zuid-Marokko tot Zuid-Algerije en Libië, in het voorjaar soms in grote aantallen in de oases. Overwintert in de Sahel ten zuiden van de Sahara. Daarbuiten broedt hij in Iberië, Zuid-Frankrijk en het uiterste noordwesten van Italië.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Een ochtend in april in de tamarisken en palmtuinen van Merzouga, Erg Chebbi of de oases van de Draa levert vaak tientallen baardgrasmussen op. Broedvogels zijn goed te vinden in de struwelen van de Midden-Atlas rond Ifrane en Azrou en op de hellingen van het Rifgebergte.
Staat van instandhouding
De IUCN heeft de soort nog niet apart beoordeeld (de BirdLife-indeling voegt hem bij de balkanbaardgrasmus, die niet bedreigd is). In de Maghreb wijd verbreid en algemeen; plaatselijk lijdt hij onder het kappen en afbranden van struweel en onder overbegrazing.
Wetenschappelijke naam
Curruca iberiae | (Svensson, 2013)
Svensson beschreef de soort in 2013 als Sylvia inornata iberiae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. iberiae betekent 'van Iberia', het Iberisch Schiereiland, waar het zwaartepunt van het broedgebied ligt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het Iberisch Schiereiland.


