Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Australische grote pijlstormvogel
Australische grote pijlstormvogel | Ardenna carneipes
Flesh-Footed Shearwater | Pardela paticlara
Een grote, geheel donkere pijlstormvogel met een lichte snavel en opvallend lichte poten, die in Australië en Nieuw-Zeeland broedt en in de noordelijke zomer de Arabische Zee opzoekt. Voor de kust van Oman is hij dan de meest geziene donkere pijlstormvogel.
Geluid
Op zee stil. In de kolonie ’s nachts een lang, kreunend en hikkend ku-koo-ah.
Opname: Barry Edmonston — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot en zwaar gebouwd, met brede vleugels en een korte, ronde staart. Geheel donker chocoladebruin; tegen het licht zijn de basis van de handpennen aan de onderkant iets zilverig. De snavel is dik en lichtroze of vleeskleurig met een duidelijke zwarte punt, de poten en voeten zijn vleeskleurig en steken in de vlucht soms net onder de staart uit. Vliegt laag, met trage, krachtige slagen en lange glijvluchten op stijve, rechte vleugels; volgt soms schepen en vissersboten.
Verwarringssoorten
De wigstaartpijlstormvogel (Ardenna pacifica) in donker kleed is slanker, met een langere, spitse staart, een dunnere grijsachtige snavel, donkerder poten en een lichtere, zwevende vlucht. De grauwe pijlstormvogel (Ardenna grisea) heeft een zwarte snavel, zilverachtige ondervleugeldekveren en een snellere, stijvere vlucht. Jouanins stormvogel (Bulweria fallax) is veel kleiner, met een korte zwarte snavel. Jonge jagers hebben witte vleugelvlekken.
Leefgebied
Open zee, vooral boven het continentaal plat en in gebieden met opwelling tijdens de zomermoesson; foerageert aan het oppervlak en duikt ondiep naar vis en inktvis. Broedt in holen in bebost of begroeid terrein op eilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied een geregelde niet-broedende gast in de Arabische Zee: in Oman vrij algemeen voor de kust van Dhofar, Masirah en het oosten, met de meeste waarnemingen van mei tot september. In de Golf van Oman voor de oostkust van de Emiraten jaarlijks in kleine aantallen van april tot oktober, het talrijkst van mei tot augustus (tot 35 op één boottocht). Ook in de wateren rond Socotra en in de Golf van Aden te verwachten, al zijn er weinig tellingen; niet in de Perzische Golf en de Rode Zee. Daarbuiten broedt hij in Zuidwest-Australië, op Lord Howe en in het noorden van Nieuw-Zeeland, en trekt hij buiten de broedtijd naar de noordelijke Indische Oceaan en de noordelijke Stille Oceaan.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zeetochten in de zomermoesson voor de kust van Dhofar en vanuit Muscat, of in mei en juni vanuit Fujairah en Dibba, leveren vaak meerdere vogels op. Vanaf de kust van Ras al-Hadd en Masirah zijn ze bij aanlandige wind te zien.
Staat van instandhouding
Gevoelig. De populatie neemt af door bijvangst in de beugvisserij, het inslikken van plastic en ratten en katten in de kolonies. In het gidsgebied is hij een geregelde gast op zee; voor zover bekend speelt bijvangst in de Arabische Zee een rol.
Wetenschappelijke naam
Ardenna carneipes | (Gould, 1844) (GBIF: Puffinus carneipes)
Gould beschreef de soort in 1844 als Puffinus carneipes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardenna werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Ardenna gaat terug op Artenna, de spelling die de Italiaanse natuuronderzoeker Ulisse Aldrovandi in 1603 voor een zeevogel gebruikte en die Reichenbach bij de naamgeving aanhaalde. carneipes komt van het Latijnse carneus, 'vleeskleurig', en pes, 'voet' — naar de roze poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Eilandjes bij Kaap Leeuwin, West-Australië.
