Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Aziatische wespendief

Aziatische wespendief | Pernis ptilorhynchus

Crested Honey-Buzzard | Abejero oriental

De Aziatische wespendief is de oostelijke tegenhanger van de wespendief, groter en breedvleugeliger. De noordelijke vorm orientalis uit Siberië en Oost-Azië overwintert vooral in Zuidoost-Azië, maar een groeiend aantal trekt westwaarts naar het Midden-Oosten; in de Emiraten en Oman is hij inmiddels een vaste, zij het schaarse, wintergast in parken en op irrigatievelden.

Aziatische wespendief (Pernis ptilorhynchus)
Foto: Tisha Mukherjee — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het gebied vrijwel stil; soms een hoog, gerekt fluitend wiii-uw.

Luister: VluchtroepXC1027796

Opname: Chi-Hsuan Shao — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

55–65 cm, spanwijdte 130–155 cm. Groot en breedvleugelig voor een wespendief, met een klein kopje op een lange hals en een relatief korte staart; de hand heeft zes duidelijke vingers. Bij het mannetje is de staart zwart met één brede lichte band, heeft de ondervleugel brede zwarte banden en is het oog donker; het vrouwtje heeft meer en smallere banden en een geel oog. Het verenkleed varieert sterk, van licht tot donker roodbruin, vaak met een donkere streep midden over de keel. Het kuifje is bij orientalis kort en zelden te zien.

Verwarrings­soorten

Vooral te verwarren met de wespendief (Pernis apivorus), die kleiner en slanker is, smallere handen met vijf vingers en een langere staart heeft; het mannetje daarvan heeft een grijze kop, een geel oog en een staart met een brede donkere eindband en twee smalle basisbanden. Let op de keelstreep en de bredere, wat arendachtige vleugels. Op afstand lijkt hij ook op een buizerd (Buteo buteo), die echter een grotere kop heeft en met de vleugels in een V zweeft.

Leefgebied

Overwintert in groene parken, golfbanen, luzernevelden en irrigatieakkers, boomgaarden en dadelpalmtuinen, ook midden in de steden aan de Golf, waar hij in bomen zit en op gazons naar larven van wespen en kevers zoekt; plundert ook bijenkasten. Op trek over woestijn en bergland, rustend in oases en bomenrijen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Wintergast en doortrekker in de Emiraten (vooral Dubai en Abu Dhabi), Oman (Muscat, Batinah, Dhofar), Qatar, Bahrein, Koeweit en het oosten van Saoedi-Arabië. In Israël een schaarse maar jaarlijkse doortrekker en kleine wintergast, vooral rond Eilat, en in kleinere aantallen in Jordanië, Libanon en op de Sinaï. Broedt in Siberië, Oost-Azië en Zuid- en Zuidoost-Azië; de trekvogels overwinteren grotendeels in Zuidoost-Azië en Indonesië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de Emiraten van november tot maart in de groene parken en op de irrigatievelden van Dubai en Al Ain; hij zit lang stil in een boom en is vaak pas bij het opvliegen te herkennen. Let in Eilat in maart – mei tussen de trekkende wespendieven op een breedvleugelige, kortstaartige vogel met zes vingers.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De westelijke uitbreiding van de overwinteraars hangt samen met de aanleg van parken en irrigatielandbouw in de Golfstaten. Plaatselijk kwetsbaar voor vergiftiging en afschot.

Wetenschappelijke naam

Pernis ptilorhynchus | (Temminck, 1821)

Temminck beschreef de soort in 1821 als Falco ptilorhyncus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pernis werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Pernis gaat terug op het Griekse pernēs, bij Aristoteles de naam van een roofvogel. ptilorhynchus is Grieks voor 'met bevederde snavel', van ptilon 'veer' en rhunkhos 'snavel', naar de bevederde teugels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Java in Indonesië.