Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Wespendief

Wespendief | Pernis apivorus

European Honey-Buzzard | Abejero europeo

De wespendief is een buizerdachtige roofvogel met een duivenkopje, die leeft van de larven van wespen en bijen die hij uit de grond graaft. In het gebied is het vooral een trekvogel: elk voorjaar en najaar komen honderdduizenden door, met de grootste stromen boven Israël, Kaap Bon in Tunesië en de Straat van Gibraltar.

Wespendief (Pernis apivorus)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

Op trek meestal stil. Soms een klagend, fluitend pie-ieh of kie-ie-er, hoger en vloeiender dan bij de buizerd.

Luister: DuetXC1027226

Opname: Mathieu Franzkeit — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

52–59 cm, spanwijdte 113–135 cm. Lijkt op een buizerd, maar heeft een klein, vooruitgestoken kopje op een koekoeksachtige hals, een lange staart met licht bolle zijkanten en lange, smalle handen. Zweeft op vlakke of iets afhangende vleugels, nooit in een V. De staart toont één brede donkere eindband en twee smallere banden bij de basis; ook de ondervleugel heeft een brede donkere achterrand en enkele donkere banden. Het verenkleed varieert van bijna wit via geband tot egaal donkerbruin. Het volwassen mannetje heeft een grijze kop en een geel oog; het vrouwtje is bruiner. De jonge vogel heeft meer en gelijkmatiger staartbanden, donkere handpennen, een donker oog en een gele washuid.

Verwarrings­soorten

De buizerd (Buteo buteo) heeft een grotere kop, een kortere staart, een duidelijke donkere polsvlek en zweeft met de vleugels in een ondiepe V. De Aziatische wespendief (Pernis ptilorhynchus) is groter, met bredere handen met zes vingers in plaats van vijf, een relatief kortere staart en vaak een donkere keelstreep; in Eilat en de Golf moet daarmee rekening worden gehouden, en vogels met tussenkenmerken komen voor. Een donkere wespendief kan op afstand lijken op een donkere dwergarend (Hieraaetus pennatus), die lichte 'landingslichten' op de vleugelbasis heeft.

Leefgebied

Op trek boven bergruggen, kusten en woestijn; rust 's nachts in bossen, dennenaanplant, boomgaarden, oases en dadelpalmtuinen, soms in groten getale in één bosje. In Noord-Afrika pleistert hij ook in mediterraan bos met eik en ceder. Eet op trek ook grote insecten en drinkt bij visvijvers en waterbekkens.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Doortrekker door het hele gebied. In het westen kruist hij de Middellandse Zee via de Straat van Gibraltar (Jbel Moussa) en via Kaap Bon in Tunesië naar Sicilië; in het oosten loopt de grootste stroom over de Levant: in het najaar over Noord- en Midden-Israël, in het voorjaar over Eilat en de Arava, met jaarlijks honderdduizenden vogels. Ook over de Sinaï, de Golf van Suez en de bergen langs de Rode Zee; in Arabië langs de westkust tot Bab-el-Mandeb, elders schaars. Broedt in Europa en West-Siberië en overwintert in West- en Centraal-Afrika.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in de eerste helft van mei naar Eilat: op goede dagen trekken er tienduizenden in lange rijen boven de bergen ten westen van de stad. Begin september vliegen ze in grote thermiekbellen over het midden van Israël, en eind augustus en september ook bij Jbel Moussa; op Kaap Bon is de voorjaarstrek in mei het sterkst.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Langs de trekroutes zijn afschot, vooral in Libanon en Syrië, en vangst met netten de belangrijkste bedreigingen. De concentraties bij de flessenhalzen van de trek maken de soort daar kwetsbaar.

Wetenschappelijke naam

Pernis apivorus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Falco apivorus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pernis werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Pernis gaat terug op het Griekse pernēs, bij Aristoteles de naam van een roofvogel. apivorus is Latijn, van apis 'bij' en -vorus 'etend', naar het uitgraven van nesten van wespen en bijen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.