Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Balkanbaardgrasmus
Balkanbaardgrasmus | Curruca cantillans
Eastern Subalpine Warbler | Curruca carrasqueña oriental
De balkanbaardgrasmus broedt van Zuid-Italië en Sicilië over de Balkan tot West-Turkije en overwintert in de Sahel. In het gidsgebied is hij een doortrekker: de Italiaanse vogels steken via Tunesië en Libië over, de Balkan- en Turkse vogels (albistriata) trekken door de Levant en Egypte, waar ze in het voorjaar in elke struik kunnen opduiken.
Geluid
De roep is bij de Balkan- en Turkse vogels een vol, meestal verdubbeld en licht rollend t-tret, bij de Italiaanse vogels een abrupt tek. De zang is een snel, ratelend gekwetter van twee tot vier seconden, voller dan bij de westelijke baardgrasmus; trekkende mannetjes zingen in het voorjaar geregeld.
Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm. Klein, slank en langstaartig, met een rode oogring. Het mannetje is donker leigrijs boven en heeft een diep baksteenrode keel en borst die scherp tegen een witte buik afsteken. De witte baardstreep is breed en opvallend, vooral bij albistriata; bij de vogels uit Zuid-Italië en Sicilië is het rood lichter en de baardstreep smaller. De handpenprojectie is lang en op de een-na-buitenste staartpen zit een smalle witte wig langs de schacht. Het vrouwtje is bruingrijs boven en vuilwit met een zandroze waas onder.
Verwarringssoorten
De westelijke baardgrasmus (Curruca iberiae) heeft een warmer oranjerood dat zonder grens tot op de buik doorloopt, een smallere baardstreep, een kortere handpenprojectie en een vierkant wit puntje op de een-na-buitenste staartpen; hij overlapt in Tunesië en Libië. Moltoni's baardgrasmus (Curruca subalpina) is bleek zalmroze en ratelt. Een vrouwtje kan lijken op een braamsluiper (Curruca curruca), maar die heeft geen rode oogring en een donkere oorstreek; de brilgrasmus (Curruca conspicillata) heeft een witte oogring en een roodbruine vleugel.
Leefgebied
Op de trek in elk struweel en elke groep bomen: kustduinen, maquis en garrigue, wadi's met acacia en tamarisk, oases, parken en tuinen, ook midden in de woestijn. Broedt in maquis, phrygana en lichte eiken- en dennenbossen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het voorjaar een talrijke doortrekker in Libië (vooral Tripolitanië en Cyrenaica) en Tunesië, door de Westelijke Woestijn en het Nijldal van Egypte, de Sinaï, Israël, Jordanië, Libanon en West-Syrië; in het najaar minder opvallend. Schaars in Noordwest-Saoedi-Arabië en Irak, en in Koeweit, Bahrein, de Emiraten en Oman een dwaalgast. Daarbuiten broedt hij in Zuid- en Midden-Italië, op Sicilië, op de Balkan, in Griekenland en West-Turkije, en overwintert hij in de Sahel van Niger tot Soedan.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Eilat in maart en april, de struwelen bij Nizzana in de Negev en de kust van Cyrenaica rond Benghazi zijn goede plekken. Een foto van de gespreide staart of een opname van de roep is bij twijfel met de westelijke baardgrasmus het beste bewijs.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De Europese broedpopulatie is groot en lijkt stabiel; op de trek zijn de vogels gevoelig voor de vangst met netten en lijmstokken, die in delen van Noord-Afrika en de Levant nog voorkomt.
Wetenschappelijke naam
Curruca cantillans | (Pallas, 1764)
Pallas beschreef de soort in 1764 als Motacilla (cantillans); omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. cantillans is Latijn voor 'kwelend', van canere 'zingen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.


