Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Bergfluiter
Bergfluiter | Phylloscopus bonelli
Western Bonelli's Warbler | Mosquitero papialbo
De bergfluiter is een bleke, contrastarme boszanger van open loof- en naaldbos op berghellingen. In het gidsgebied is het de westelijke van de twee bergfluiters: hij broedt in de bossen van de Atlas en de Rif en trekt over de westelijke Sahara naar de Sahel; ten oosten van Tunesië wordt hij vervangen door de balkanbergfluiter.
Geluid
De zang is een korte, droge ratel op één toonhoogte, srrrrrrr, van dichtbij een reeks losse tikjes, met tussenpozen van enkele seconden herhaald. De roep is beslissend tegenover de balkanbergfluiter: een zacht, tweelettergrepig, opgaand hu-iet, niet het korte tsjip van die soort.
Opname: Tony Rinaud — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
10,5–11,5 cm. Grijsgroen tot grijsbruin boven en zijdewit onder, zonder geel op keel of borst. Drie gekleurde accenten maken de soort: een heldergele stuit (vaak alleen zichtbaar als hij vliegt of zich uitrekt), een geelgroen paneel op de gevouwen vleugel en geelgroene zomen aan de staart. Het gezicht is blank en open, met een vage korte wenkbrauwstreep, een groot donker oog en nauwelijks een oogstreep. Ondersnavel lichtoranje, poten bruin. Geslachten gelijk.
Verwarringssoorten
De balkanbergfluiter (Phylloscopus orientalis) is vrijwel gelijk, gemiddeld grijzer met minder groen in vleugel en stuit; alleen de roep beslist. De fluiter (Phylloscopus sibilatrix) is groter en heeft een felgele keel en borst. De fitis (Phylloscopus trochilus) en de tjiftjaf (Phylloscopus collybita) missen de gele stuit en het vleugelpaneel en zijn geler of bruiner doorwaasd onder. De westelijke vale spotvogel (Iduna opaca) is groter, met een lange snavel en een egaal bruingrijze rug.
Leefgebied
Broedt in open, droog bos op hellingen met veel licht en een kruidlaag: steeneiken-, kurkeiken- en cederbos, dennenbos en bos met Atlasjeneverbes, in de Atlas tot ruim 2000 m. Op de trek in oases, tuinen, acaciastruweel en wadi's met bomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Marokko in de Rif, de Middel- en Hoge Atlas en de kurkeikenbossen van de Atlantische laagvlakte, in Noord-Algerije (Tell-Atlas, Aurès) en in Noordwest-Tunesië (Kroumirie). Op de trek door heel Marokko, inclusief de Westelijke Sahara, en door de oases van de Algerijnse Sahara; in Libië schaars, verder oostwaarts een zeldzaamheid, want daar trekt de balkanbergfluiter. Overwintert in de Sahel van Senegal tot Tsjaad. Daarbuiten broedt hij in Zuidwest- en Midden-Europa, van Iberië en Frankrijk tot de Alpen en Italië.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Luister in mei en juni in de ceder- en eikenbossen van de Middel-Atlas, bijvoorbeeld rond Ifrane en Azrou, naar de droge ratel; de vogel zelf zit meestal hoog in het bladerdak. Op de voorjaarstrek is hij in april algemeen in de oases van de Marokkaanse woestijnrand.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Noord-Afrika gevoelig voor de achteruitgang van de Atlasbossen door kap, overbegrazing en droogte; de cederbossen van de Middel-Atlas zijn sinds de jaren negentig sterk verdroogd.
Wetenschappelijke naam
Phylloscopus bonelli | (Vieillot, 1819)
Vieillot beschreef de soort in 1819 als Sylvia Bonelli; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. bonelli eert de Italiaanse zoöloog Franco Andrea Bonelli (1784–1830), die aan de universiteit van Turijn de natuurhistorische collecties beheerde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Piemonte.

