Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Tjiftjaf

Tjiftjaf | Phylloscopus collybita

Common Chiffchaff | Mosquitero común

De tjiftjaf is in de winter de gewoonste boszanger van het gidsgebied: van oktober tot april zit hij in elke tuin, boomgaard, rietkraag en oase, van de Atlantische kust van Marokko tot de Golf. Grote aantallen overwinteren in het Nijldal en de Nijldelta. Als broedvogel is hij in het gebied zeldzaam: alleen een kleine populatie op de Hermon.

Tjiftjaf (Phylloscopus collybita)
Foto: Andy Morffew from Itchen Abbas, Hampshire, UK — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een oplopend hu-iet; Siberische tjiftjaffen (tristis) roepen een klaaglijk, vlak iet, als van een kuiken. De zang is een onregelmatige reeks van twee afwisselende tonen, tsjilp-tsjalp-tsjilp-tsjilp-tsjalp, in het late voorjaar ook door overwinteraars en doortrekkers te horen.

Luister: VluchtroepXC1185778

Opname: Philippe Grange — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–12 cm. Een kleine, gedrongen boszanger, bruinig olijfgroen boven en vuilwit onder met een gele of beige waas op borst en flanken. Korte, vrij vage wenkbrauwstreep, een donkere oogstreep en een opvallende lichte halve oogring onder het oog. Poten en snavel donker, bijna zwart. Korte handpenprojectie. Wipt voortdurend met de staart. De westelijke vormen (collybita, abietinus, brevirostris) zijn groenig met wat geel; de Siberische tjiftjaf (tristis), die vooral in het oosten van het gebied overwintert, is koud grijsbruin boven en wit met een beige waas onder, zonder geel behalve aan de vleugelboeg en onder de vleugel, met groene randen aan vleugel en staart.

Verwarrings­soorten

De fitis (Phylloscopus trochilus) is slanker en langer van vleugel, met lichte poten en een scherpere, gelere wenkbrauwstreep, en wipt niet met de staart. De Iberische tjiftjaf (Phylloscopus ibericus) is groener en geler en is alleen op zang en roep zeker te herkennen. De bergtjiftjaf (Phylloscopus sindianus) mist elk groen en geel en heeft een dalende roep. De dwergtjiftjaf (Phylloscopus neglectus) is kleiner en grauwer, met een hard tsjrit.

Leefgebied

In de winter vrijwel overal met struiken of bomen, bij voorkeur bij water: rietkragen, tamarisken en struweel langs rivieren en kanalen, bevloeide akkers, boomgaarden, olijf- en dadelpalmtuinen, tuinen en parken, oases. Broedt op de Hermon in goed ontwikkeld mediterraan bos rond 1300 m.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Wintergast en doortrekker door het hele gebied, van Marokko, Algerije, Tunesië en Libië tot Egypte, de Levant, Irak en het Arabisch Schiereiland tot in Jemen en Oman; zeer talrijk in de Maghreb, het Nijldal en de Nijldelta, de Levant en Irak, en in de Golfstaten en Oman in bevloeide groene gebieden. In het oosten (Irak, Koeweit, de Golfstaten, Oman) zijn veel overwinteraars Siberische tjiftjaffen. Broedt in Israël sinds 2013 op de Hermon (20–40 paren) en mogelijk ook aan de Libanese en Syrische kant van dat gebergte. Daarbuiten broedt hij in Europa en Noord-Azië tot Oost-Siberië en in Turkije en de Kaukasus; overwintert van West-Europa tot Afrika ten zuiden van de Sahara en Zuid-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter is hij overal; zoek in een tuin in de Golfstaten of in Irak tussen de groenige vogels naar een grijs-witte Siberische tjiftjaf die klaaglijk iet roept. Wie in juni op de Hermon is, kan er de zingende broedvogels horen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. De kleine broedpopulatie op de Hermon staat in Israël als kwetsbaar op de Rode Lijst; de overwinteraars profiteren van bevloeiing en groen in de woestijn, maar worden in delen van Noord-Afrika en Egypte gevangen.

Wetenschappelijke naam

Phylloscopus collybita | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Sylvia collybita; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. collybita gaat terug op het Griekse kollubistes 'geldwisselaar': de eentonige roep werd vergeleken met het klinken van munten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Normandië.