Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Blonde ruiter

Blonde ruiter | Calidris subruficollis

Buff-Breasted Sandpiper | Correlimos canelo

Een slanke, plevierachtige Amerikaanse strandloper met een duifachtig kopje en een egaal zandbeige onderkant. In het gidsgebied is hij een uiterst zeldzame dwaalgast, met slechts een handvol gevallen van de Atlantische kust van Marokko tot Oman.

Blonde ruiter (Calidris subruficollis)
Foto: Stephan Sprinz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil; in vlucht een zacht, laag prriet of een droog tik.

Luister: VluchtroepXC1179766

Opname: Paul Kelly — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Slank en kleinkoppig, met een korte, dunne zwarte snavel, grote donkere ogen in een egaal licht gezicht en heldere okergele poten. De hele onderzijde is warm zandbeige, op de borstzijden met fijne donkere vlekjes; de bovendelen zijn geschubd met donkere veercentra en lichte randen. In vlucht een ongetekende bovenvleugel zonder vleugelstreep en een opvallend witte ondervleugel met een donkere vlek op de handdekveren; de vogel toont die vaak door de vleugels omhoog te heffen.

Verwarrings­soorten

Een jonge kemphaan (Calidris pugnax) is ook beige, maar duidelijk groter, met een langere snavel en poten en in vlucht een smalle vleugelstreep en witte ovale vlekken op de staartzijden. De Bairds strandloper (Calidris bairdii), elders een dwaalgast, heeft zwarte poten en lange vleugels die ver voorbij de staart reiken. De Amerikaanse goudplevier (Pluvialis dominica) is groter, met een ploeviersnavel en een grijzere tekening. Het egale, open gezicht met het donkere oog is het beste kenmerk.

Leefgebied

Kortgrazige graslanden, akkers, grasvelden, golfbanen en drooggevallen randen van meren en estuaria; foerageert meer op het droge dan andere strandlopers en loopt met snelle sprintjes als een kleine plevier.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Uiterst zeldzaam. In Marokko werd het eerste geval aanvaard van het estuarium van de Oued Souss bij Agadir (26 september 1998), en in Oman staat hij als toevallige dwaalgast op de lijst. Elders in het gebied zijn er hooguit enkele losse meldingen; vooral langs de Atlantische kust van Marokko en op de grasvelden en vloeivelden van de Golfstaten is hij te verwachten. Daarbuiten broedt hij op de toendra van Alaska en Arctisch Canada en overwintert op de pampa's van Zuid-Amerika; jaarlijks dwaalgast in West-Europa.

Hoe en wanneer kijken

Kansen liggen vooral in september–oktober na westelijke stormen, op kort gras bij de Marokkaanse kust (Souss-Massa, Oualidia). In de Golfstaten worden Amerikaanse dwaalgasten vaak gevonden op golfbanen en grasvelden; let daar tussen de goudplevieren en kemphanen op een kleine, beige vogel.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (IUCN: Vulnerable). De wereldpopulatie is klein en neemt af door verlies van de graslanden in de overwinteringsgebieden in Zuid-Amerika en langs de trekroute door de Amerikaanse prairie. In het gidsgebied is hij een uiterst zeldzame dwaalgast zonder eigen bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Calidris subruficollis | (Vieillot, 1819)

Vieillot beschreef de soort in 1819 als Tringa subruficollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. subruficollis verbindt het Latijnse subrufus 'roodachtig' — uit sub 'enigszins' en rufus 'rossig' — met collum 'hals'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay.