Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kleine geelpootruiter
Kleine geelpootruiter | Tringa flavipes
Lesser Yellowlegs | Archibebe patigualdo chico
Een slanke, fijngebouwde ruiter met lange kanariegele poten, broedvogel van de Noord-Amerikaanse taiga die in Europa jaarlijks opduikt maar het gidsgebied slechts bij hoge uitzondering bereikt. De weinige gevallen liggen verspreid van Tunesië tot Israël en de Emiraten en betreffen steeds losse vogels, die soms wekenlang blijven.
Geluid
Een zacht, vlak tuu of tu-tu, meestal één of twee noten, zachter en minder doordringend dan de drieledige roep van de groenpootruiter. Bij onrust een kort kip.
Opname: Tony Rinaud — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Middelgroot en slank, met een rechte, dunne donkere snavel van ongeveer de lengte van de kop en lange, felgele poten. Bovendelen grijsbruin met fijne witte stippels langs de veerranden; hals en borst fijn grijs gestreept, buik wit. Een korte witte wenkbrauwstreep voor het oog en een witte oogring. Lange vleugelpunten die ver voorbij de staart reiken, wat de vogel een langgerekt achterlijf geeft. In vlucht een effen donkere vleugel zonder vleugelstreep, een vierkante witte stuit zonder wig op de rug en een fijn gebandeerde grijze staart.
Verwarringssoorten
De bosruiter (Tringa glareola) is het grootste gevaar: kleiner en korterpotig, met een langere, duidelijke witte wenkbrauwstreep, sterker gevlekte bovendelen, kortere vleugelpunten en geelgroene in plaats van felgele poten. De poelruiter (Tringa stagnatilis) heeft een naaldfijne snavel, olijfgroene poten en een witte wig tot ver op de rug. De tureluur (Tringa totanus), ook juvenielen met gelige poten, is gedrongener, met een rode snavelbasis en een brede witte vleugelachterrand. Het witgat (Tringa ochropus) is donkerder met groenige poten. De grote geelpootruiter (Tringa melanoleuca), in het gebied een uiterst zeldzame dwaalgast (Marokko, Massa, november 2005), is groter met een langere, licht opgewipte snavel.
Leefgebied
Ondiep zoet en brak water met zachte randen: visvijvers, zuiveringsvijvers, kleine meren, ondergelopen velden en de luwe randen van lagunes. In het gidsgebied werden de vogels vooral op visvijvers en poelen in het binnenland gezien, vaak tussen andere ruiters.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Een zeer zeldzame dwaalgast. In Israël zijn twee gevallen bekend: een vogel bij Ma'agan Michael op 26 juni 1977 en een bij de visvijvers van kibboets Neve Eitan in de Bet Sheanvallei op 25 september 2008. In de Emiraten verbleef een vogel van 28 november 2007 tot 25 januari 2008 bij Neima Pools en daarna in de omgeving tot 23 april 2008, een geval van overwintering. In Tunesië werd in 2015 het eerste geval voor het land gepubliceerd. Mogelijk zijn er meer gevallen, onder meer uit Marokko en Oman; die konden voor deze gids niet worden nagetrokken. Broedt in de taiga van Alaska en Canada en overwintert van de zuidelijke Verenigde Staten en het Caribisch gebied tot het zuiden van Zuid-Amerika; in Europa de talrijkste Amerikaanse ruiter, vooral op de Britse Eilanden en Iberië.
Hoe en wanneer kijken
De kans is klein, maar elke "bosruiter" met opvallend gele poten, lange vleugelpunten en een korte wenkbrauwstreep verdient een tweede blik, vooral in de herfst op visvijvers in Israël en de Golfstaten en in de winter op wetlands in de Maghreb. Maak foto's van de vogel in vlucht: de vierkante witte stuit zonder rugwig en de effen vleugel zijn beslissend.
Staat van instandhouding
Dwaalgast in het gidsgebied. Wereldwijd kwetsbaar (IUCN: Vulnerable): Noord-Amerikaanse tellingen wijzen sinds de jaren zeventig op een fors verlies, in de orde van meer dan de helft van de populatie. Genoemd worden het verdwijnen van ondiepe pleisterwateren langs de trekroute, jacht tijdens de trek in het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika, en veranderingen in het boreale broedgebied.
Wetenschappelijke naam
Tringa flavipes | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax flavipes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. flavipes is Latijn, van flavus 'geel' en pes 'voet', naar de gele poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit New York.


