Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Bosruiter

Bosruiter | Tringa glareola

Wood Sandpiper | Andarríos bastardo

De meest gewone kleine ruiter van het gidsgebied op trek: grote aantallen steken in het voorjaar en het najaar de Sahara en de Arabische woestijnen over op weg naar en van Afrika ten zuiden van de Sahara. Dan duikt hij op bij vrijwel elk zoet water, van een overstroomd veld in de Nijldelta tot een kleine poel in een oase.

Bosruiter (Tringa glareola)
Foto: JJ Harrison (https://www.jjharrison.com.au/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, droog en snel tjiff-tjiff-tjiff, meestal drie- of viervoudig en vaak in groepjes gelijk geroepen bij het opvliegen. Bij onrust een scherp tjip. In het voorjaar kan ook de jodelende baltsroep lie-lie-lie klinken.

Luister: ZangXC1168658

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Slank en vrij hoogpotig, met een rechte, middellange snavel en geelgroene poten. Bovendelen grijsbruin met talrijke witte vlekjes, die de rug een gespikkeld uiterlijk geven; borst lichtgrijs gestreept. Een lange, opvallende witte wenkbrauwstreep tot ver achter het oog. Juvenielen zijn warmer bruin met gele vlekken. In vlucht een witte stuit, een fijn gebandeerde staart, een effen bruine bovenvleugel en een lichte ondervleugel; de tenen steken net voorbij de staart uit.

Verwarrings­soorten

Het witgat (Tringa ochropus) is donkerder en gedrongener, met nauwelijks gevlekte bovendelen, een korte wenkbrauwstreep alleen voor het oog en een zwartachtige ondervleugel die scherp afsteekt tegen de witte stuit. De poelruiter (Tringa stagnatilis) is bleker en langpotiger, met een naaldfijne snavel en een witte wig tot ver op de rug. De oeverloper (Actitis hypoleucos) heeft kortere poten, een effen rug en wipt voortdurend.

Leefgebied

Ondiep zoet water met kruidige randen: overstroomde akkers en weilanden, rijstvelden, moerasranden, visvijvers, zuiveringsvijvers, oases en tijdelijke regenplassen in de woestijn. Mijdt zout water en open slik grotendeels. Op trek vaak in losse groepjes, soms tientallen bij elkaar.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Doortrekker in het hele gebied, in het voorjaar vooral in april en begin mei, in het najaar van juli tot in oktober. In de Maghreb op trek op alle wetlands van Marokko, Algerije en Tunesië en in de oases van de Sahara; overwintert er hooguit in kleine aantallen. In Egypte zeer talrijk op trek in de Nijldelta en Nijlvallei, met overwinteraars. In Israël, Jordanië, Libanon en Syrië een algemene doortrekker, vooral in de Jordaan- en Bet Sheanvallei. In Arabië een algemene doortrekker, in de Emiraten het hele jaar gemeld en in de vroege winter vrij algemeen maar later schaars; overwinteraars ook in Oman, Jemen, Zuidwest-Saoedi-Arabië en de moerassen van Irak. Broedt van Schotland en Fennoscandinavië door de taiga tot Kamtsjatka; overwintert verder in Afrika ten zuiden van de Sahara, Zuid-Azië en Australië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Na regen in het voorjaar vullen de vlakten in Zuid-Marokko, Zuid-Tunesië en de Negev zich met plassen, en dan staan er vaak groepjes bosruiters, ver van elk vast water. In april zijn de visvijvers van de Bet Sheanvallei en de rijstvelden en akkers van de Nijldelta goede plekken voor grote aantallen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC) en met honderdduizenden paren in Fennoscandinavië en de taiga een van de talrijkste steltlopers van de boreale zone. Aan de zuidrand van het broedareaal is hij door ontwatering afgenomen. Voor doortrekkers in het gebied telt vooral het aanbod van ondiepe zoete wateren, dat door drooglegging, verdroging en intensivering van de landbouw onder druk staat; de vangst van trekvogels langs de Egyptische kust treft ook steltlopers.

Wetenschappelijke naam

Tringa glareola | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Tringa voerde hij in datzelfde werk in. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. glareola is Latijn, een verkleinwoord bij glarea 'grind', naar de kiezelige oevers waar de vogel zich ophoudt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.