Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Poelruiter
Poelruiter | Tringa stagnatilis
Marsh Sandpiper | Archibebe fino
Een tengere, bleke ruiter met een naaldfijne snavel en heel lange poten, die in het gidsgebied vooral op trek en in de winter goed te zien is, van de Nijldelta tot de Golf en de kusten van Oman. Het gebied ligt pal op de route tussen de steppen van Oost-Europa en Centraal-Azië en de winterkwartieren in Oost-Afrika.
Geluid
Een scherp, hoog tjoe, vaak los gegeven en soms in een snelle reeks van twee of drie: tjoe-joe-joe. Het klinkt als een verkorte, ijlere versie van de roep van de groenpootruiter, minder vol en sneller. Op trek hoor je vrijwel alleen deze vluchtroep.
Opname: Julien Birard — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Slank en fijn gebouwd, met een kaarsrechte, naaldfijne donkere snavel op een klein, rond kopje en lange olijfgroene tot geelgroene poten. In winterkleed heel bleek: witte voorkop en wangen, effen lichtgrijze bovendelen en spierwitte onderdelen, zodat hij op afstand oplicht. In zomerkleed (maart – mei) zijn mantel en schouderveren grijsbruin met zwarte vlekken en zijn hals en flanken fijn gestreept. In vlucht een lange witte wig die tot ver op de rug doorloopt, een vrijwel ongebandeerde witte staart en tenen die ver voorbij de staart steken.
Verwarringssoorten
De groenpootruiter (Tringa nebularia) is de eerste vergelijking: fors groter, met een zwaardere, licht opgewipte snavel, een dikkere hals en grijsgroene poten, en een luide roep van drie gelijke noten. De bosruiter (Tringa glareola) is bruiner en gevlekt, met een witte stuit maar zonder rugwig en met kortere poten. De kleine geelpootruiter (Tringa flavipes), een dwaalgast, heeft kanariegele poten, een iets steviger snavel en een vierkante witte stuit zonder rugwig.
Leefgebied
Ondiep zoet, brak en zout water met een zachte modderrand: zoutpannen en sebkha's, visvijvers, zuiveringsvijvers, ondergelopen velden, kreken en lagunes met slikranden. Foerageert wadend in een paar centimeter water en pikt snel van het oppervlak, met opvallend lange passen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Doortrekker en wintergast in het oosten en midden van het gebied, schaarser naar het westen. Egypte: op trek en in de winter in de Nijldelta (Manzala, Burullus), langs de Nijl, op het Qarunmeer en langs de Rode Zee. In Israël en Jordanië een algemene doortrekker in de Jordaan- en Bet Sheanvallei en bij Eilat, met overwinteraars op visvijvers. Irak: op trek en in de winter in de Mesopotamische moerassen. Arabië: in de Emiraten een vrij algemene maar lokale doortrekker en wintergast, met enkele overzomeraars; ook in Koeweit, Qatar, Bahrein, Saoedi-Arabië, Oman (onder meer Barr al Hikman en de kreken van Dhofar) en Jemen. In de Maghreb schaars: in Tunesië op trek op sebkha's en zoutpannen, in Algerije en Marokko een doortrekker in kleine aantallen. Libië: schaars. Broedt van Oost-Europa en de Oekraïense steppen tot Centraal-Azië en Mongolië; overwintert verder in Afrika ten zuiden van de Sahara, Zuid-Azië en Australië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In maart – april en augustus – september staan in Eilat en op de visvijvers van de Bet Sheanvallei vaak groepjes tussen de groenpootruiters. In de winter zijn de lagunes van Ras al Khor in Dubai en Al Wathba bij Abu Dhabi goede plekken. Let op de vluchtroep en op de witte rugwig bij het opvliegen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), met het grootste deel van de populatie in de steppegordel van Oost-Europa, West-Siberië en Centraal-Azië, waar ontwatering van steppemeren en droogte de belangrijkste zorgen zijn. In het gidsgebied lijden de grote wetlands van de Nijldelta en Mesopotamië onder drooglegging en vervuiling; visvijvers, zoutpannen en waterzuiveringen bieden daarentegen nieuwe pleisterplaatsen.
Wetenschappelijke naam
Tringa stagnatilis | (Bechstein, 1803)
Bechstein beschreef de soort in 1803 als Totanus stagnatilis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. stagnatilis is Latijn, bij stagnum 'plas, moeras', en betekent 'van de plassen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.


