Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Witgat

Witgat | Tringa ochropus

Green Sandpiper | Andarríos grande

Een donkere, schichtige ruiter die bij verstoring luid roepend opvliegt en dan zijn spierwitte stuit laat zien, scherp afstekend tegen de bijna zwarte vleugels. In het gidsgebied is hij een wijdverbreide doortrekker en wintergast, die meer dan andere ruiters ook kleine wateren in de woestijn opzoekt: een plas in een wadi, een irrigatiegoot in een oase of een lekkende waterleiding.

Witgat (Tringa ochropus)
Foto: mourad-harzallah — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Bij het opvliegen een luid, helder en jubelend tluiet-wiet-wiet, de eerste noot het hoogst, vaak herhaald terwijl de vogel wegklimt. Bij verstoring ook een scherp twiet. De roep is een van de beste herkenningspunten: geen andere ruiter klinkt zo helder en uitbundig.

Luister: AlarmroepXC1168151

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Middelgroot en vrij gedrongen, met een rechte, middellange snavel en groenige poten. Bovendelen donker olijfbruin met fijne lichte stippels, die in de winter nauwelijks zichtbaar zijn; kop, hals en borst donker gestreept en scherp begrensd tegen de witte buik. Een korte witte wenkbrauwstreep tot het oog en een witte oogring. In vlucht zeer contrastrijk: donkere bovenvleugel en zwartachtige ondervleugel, een spierwitte stuit en een witte staart met enkele brede zwarte banden aan het eind. Vliegt snel, vaak zigzaggend en steil omhoog.

Verwarrings­soorten

De bosruiter (Tringa glareola) is slanker en lichter bruin met duidelijke lichte vlekken op de bovendelen, een lange witte wenkbrauwstreep tot achter het oog en een lichtgrijze ondervleugel; hij roept een hoog, droog tjiff-tjiff-tjiff. De oeverloper (Actitis hypoleucos) wipt voortdurend met het achterlijf, vliegt laag met stijve, trillende vleugelslagen en heeft geen witte stuit. De kleine geelpootruiter (Tringa flavipes), een dwaalgast, heeft lange gele poten en een lichtere, gevlekte rug.

Leefgebied

Kleine zoete wateren met modderige of stenige randen, vaak beschut: slootjes en irrigatiekanalen, poelen in wadi's, oases en dadelpalmtuinen, visvijvers, zuiveringsvijvers en de oevers van rivieren en stuwmeren. Mijdt open wadden en zoutpannen grotendeels. Meestal alleen of met een paar vogels verspreid langs een oever.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Doortrekker en wintergast in vrijwel het hele gidsgebied, van eind juni tot april. In de Maghreb overwintert hij verspreid langs rivieren en in oases van Marokko, Algerije en Tunesië, ook ten zuiden van de Atlas; in Egypte vrij algemeen in de Nijlvallei en de delta en bij de oases van de Westelijke Woestijn. In het oosten overwintert hij in de Jordaanvallei, in Libanon, Syrië en Irak, en verspreid op het Arabisch Schiereiland: in de Emiraten een vrij algemene doortrekker en wintergast, en ook in Oman, Saoedi-Arabië, Koeweit, Qatar en Jemen, waar hij op irrigatiepoelen en zuiveringsvijvers in het binnenland verschijnt. Op trek steekt hij in een breed front de Sahara en de Arabische woestijnen over. Broedt in de moerasbossen van Noord- en Oost-Europa en de taiga tot Oost-Siberië; overwintert verder in West- en Zuid-Europa, tropisch Afrika en Zuid-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem in de woestijn op elke plek waar water lekt: een kapotte irrigatieleiding, een drinkplaats voor vee of een poel in een wadi. Hij vliegt vaak al op voordat je hem ziet; luister naar de heldere roep en volg hem met de verrekijker tot hij landt. In de oases van Zuid-Marokko en bij de waterzuiveringen in de Golfstaten is hij in de winter vrijwel zeker te vinden.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC) en in de Europese broedgebieden stabiel tot licht toenemend. In het gidsgebied hangt hij af van verspreide kleine wateren, die verdwijnen door dalend grondwater en het opdrogen van oases, maar hij vindt ook nieuwe pleisterplaatsen bij waterzuiveringen, visvijvers en irrigatieprojecten.

Wetenschappelijke naam

Tringa ochropus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Tringa voerde hij in datzelfde werk in. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. ochropus is Grieks, van ōkhros 'oker' en pous 'voet', dus 'okerpoot'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.