Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Bruinborsttapuit

Bruinborsttapuit | Oenanthe bottae

Buff-Breasted Wheatear | Collalba de Botta

Bruinborsttapuit is een forse, hoogpotige, bruine tapuit met een warme oranjebeige borst, die alleen voorkomt in het hoogland van het zuidwesten van Saoedi-Arabië en Jemen. Hij hoort bij de typische vogels van de Arabische hooglandvlakten, samen met de Arabische tapuit en de jemenlijster.

Bruinborsttapuit (Oenanthe bottae)
Foto: jackyjudas — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, rommelige strofe van krassende en tjirpende tonen met enkele fluitjes en nabootsingen, vanaf een steen, een muurtje of in een korte zangvlucht. De roep is een hard tsjak en een zacht fluitend hwiet.

Luister: ZangXC993458

Opname: Gregory Askew — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm. Groot en rechtop, met een grote kop, lange poten en een korte staart. Bovendelen grijsbruin tot warm zandbruin, zonder tekening; vleugels donkerbruin met lichte zomen. Een smalle witte wenkbrauwstreep boven een zwarte teugel. Keel wit tot roomkleurig, borst en flanken warm oranjebeige tot roestbeige, buik en onderstaartdekveren bleker. Staart met een witte basis en een brede zwarte eindband, zodat er meer zwart dan wit in zit. Geslachten gelijk; jonge vogels zijn licht gevlekt.

Verwarrings­soorten

De izabeltapuit (Oenanthe isabellina), die in de winter in de lagere delen van Asir en Jemen voorkomt, is bleker en egaler zandkleurig, met een witte tot bleekbeige borst en een bleke vleugel met een donker alula-veertje. Vrouwtjes van de tapuit (Oenanthe oenanthe) zijn kleiner, met een smallere eindband en minder warme borst. De Arabische tapuit (Oenanthe lugentoides) is zwart-wit.

Leefgebied

Open hoogvlakten en glooiende hellingen met kort gras, terrasakkers, braakland en stenige weiden met verspreide struiken, meestal boven 1800–2000 m. Nestelt in holen van knaagdieren of tussen stenen van terrasmuurtjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Endemisch voor het zuidwesten van Arabië: in Saoedi-Arabië in het hoogland van de Hidjaz rond Taif en in Asir tot de Jemenitische grens, in Jemen in het centrale en westelijke hoogland tot rond Sanaa en Taizz. Niet elders in het gebied. Vroeger werden de Afrikaanse vormen van Ethiopië en West-Afrika tot dezelfde soort gerekend; die gelden nu als aparte soorten.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op de hoogvlakte rond Taif, Al Baha of Abha: in het vroege voorjaar zingend op muurtjes langs de terrasakkers. Zoek op plekken met kort gras en kale grond, niet in de dichte jeneverbesbossen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en binnen zijn kleine verspreidingsgebied plaatselijk algemeen. De intensivering van de landbouw op de hoogvlakten en het verlaten van terrasakkers kunnen plaatselijk gevolgen hebben.

Wetenschappelijke naam

Oenanthe bottae | (Bonaparte, 1854)

Bonaparte beschreef de soort in 1854 als Campicola bottae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. bottae eert de Franse diplomaat, natuuronderzoeker en archeoloog Paul-Émile Botta (1802–1870). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jemen.