Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Roodstaarttapuit
Roodstaarttapuit | Oenanthe chrysopygia
Red-Tailed Wheatear | Collalba afgana
De roodstaarttapuit is een kleine, egaal grijsbruine tapuit met een roestrode stuit en staartbasis, die broedt van de Kaukasus en Iran tot Afghanistan. In het gidsgebied is hij een wintergast, het talrijkst in de heuvels en wadi's van de Emiraten en Noord-Oman; hij lijkt sterk op de Koerdische tapuit.
Geluid
In de winter vrijwel stil. De roep is een kort, hard tsjak en een dun, opgaand fluitje; bij ruzie om een territorium een snel geratel. Soms laat hij in februari en maart al wat zachte zang horen, een eenvoudige fluittoon met krassende en klikkende noten.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14,5–15 cm. Klein, met een vlak, tekeningloos gezicht. Bovendelen egaal grijsbruin, met een vage lichte wenkbrauwstreep die voor het oog het duidelijkst is; de oorstreek is vaak warm roestig getint. Onderdelen grijswit met een beige zweem over de borst en zacht oranje onderstaartdekveren, zonder scherpe grens. Stuit en staartbasis helder oranjeroestig, met zwarte middenveren en een brede zwarte eindband, een omgekeerde T op een roestrode ondergrond. Snavel en poten zwart. De geslachten lijken sterk op elkaar; het mannetje heeft hooguit een donkere teugel, maar nooit zwart in de keel.
Verwarringssoorten
De Koerdische tapuit (Oenanthe xanthoprymna) heeft hetzelfde staartpatroon, maar het mannetje heeft een zwarte keel en een witte buik die hard afsteekt tegen oranje flanken; vrouwtjes en wintervogels zijn vaak niet met zekerheid te scheiden. De roodstuittapuit (Oenanthe moesta) heeft een vrijwel geheel zwarte staart. De zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros) en de gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) hebben een geheel roestrode staart zonder eindband en trillen er voortdurend mee. De woestijntapuit (Oenanthe deserti) heeft een witte stuit en een geheel zwarte staart; de izabeltapuit (Oenanthe isabellina) een witte stuit.
Leefgebied
In de winter op droge, stenige heuvels en hellingen met verspreide struiken, in rotsige wadi's, op grindvlakten aan de voet van gebergten en in verwaarloosde akkers en tuinen aan de woestijnrand. Houdt een eigen wintergebied aan en zit laag, op stenen en struikjes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Vrij algemene wintergast in de Verenigde Arabische Emiraten en Noord-Oman, vooral aan de voet van het Hadjargebergte, en minder talrijk in Bahrein, Qatar, Koeweit, Zuid-Irak en Oost- en Midden-Saoedi-Arabië; schaars tot in het zuiden van Arabië en in Jemen. In de zuidelijke Levant een zeldzame wintergast in de Arava en de Negev in Israël en in Zuid-Jordanië; in Egypte een dwaalgast. Daarbuiten broedt hij van Oost-Turkije en de zuidelijke Kaukasus over Iran tot Afghanistan en Zuid-Centraal-Azië, en overwintert hij ook in Zuid-Iran, Pakistan en Noordwest-India.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de Emiraten van november tot maart goed te zien op de stenige hellingen en grindvlakten aan de voet van Jebel Hafeet bij Al Ain en in de wadi's van het Hadjargebergte. Hij zit graag op een laag struikje of steen en wipt met zijn staart, waarbij de roestrode stuit oplicht.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied alleen als wintergast; in de Emiraten en Oman vrij algemeen, elders schaars. Door de gelijkenis met de Koerdische tapuit is zijn wintergrens in het westen van het gebied onzeker.
Wetenschappelijke naam
Oenanthe chrysopygia | (de Filippi, 1863)
De Filippi beschreef de soort in 1863 als Dromolaea chrysopygia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. chrysopygia is Grieks, van khrusos 'goud' en pugē 'stuit', naar de roodgele stuit en staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Damavand in Iran.


