Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Cyprustapuit

Cyprustapuit | Oenanthe cypriaca

Cyprus Wheatear | Collalba chipriota

De cyprustapuit is een kleine zwart-witte tapuit die alleen op Cyprus broedt en het gidsgebied doorkruist op weg naar en van zijn winterkwartier in Soedan en Ethiopië. In het voor- en najaar is hij een bekende doortrekker in de Levant en Egypte.

Cyprustapuit (Oenanthe cypriaca)
Foto: Shiv's fotografia — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op de trek zelden zingend. De zang is een droog, snorrend gezoem als van een cicade, zrrrrrrr, afgesloten met een paar hoge piepjes. De roep is een hard tsak, soms met een zacht hwiet.

Luister: ZangXC1049034

Opname: Alain Verneau — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–15 cm. Klein en contrastrijk. Het mannetje heeft een vuilwitte tot roomkleurige kruin en nek, een zwart gezicht, zwarte keel en zwarte rug en vleugels, en warm beige tot abrikooskleurige onderdelen. Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar is doffer en bruinzwart; dat beide geslachten vrijwel gelijk zijn, is een kenmerk. De staart heeft een witte basis, een brede zwarte eindband en een lange zwarte middenstreep, met meer zwart dan bij de meeste tapuiten. In het najaar hebben verse vogels brede lichte zomen op rug en vleugel en een beigebruine kruin.

Verwarrings­soorten

De bonte tapuit (Oenanthe pleschanka) is iets groter, met wittere onderdelen en minder zwart in de staart; het vrouwtje is bruin en lijkt in niets op het mannetje. De oostelijke blonde tapuit (Oenanthe melanoleuca) heeft een witte of bleekbeige rug, nooit zwart. Het mannetje van de monnikstapuit (Oenanthe monacha) is groter, met een langere snavel, witte onderdelen en een bijna geheel witte staart.

Leefgebied

Op de trek in allerlei open terrein met uitkijkposten: garrigue, struiken in wadi's, akkerranden, kustduinen, parken en tuinen, ook in kibboetsen en aan de rand van dorpen. Mijdt de kale zandwoestijn niet geheel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Doortrekker door Libanon, het westen van Syrië, Israël, Samaria en Judea, Jordanië (vooral de Jordaanvallei en de Arava) en Egypte, inclusief de Sinaï, de Nijlvallei en de Rode Zeekust; op de najaarstrek ook in het uiterste westen van Saoedi-Arabië. Elders in het gebied dwaalgast. Broedt uitsluitend op Cyprus en overwintert in het zuidoosten van Soedan en Ethiopië.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Tussen eind februari en begin april in Eilat, de Arava of de Sinaï: de cyprustapuit is dan een van de eerste tapuiten op de trek. Let op een zwart-witte tapuit waarvan het 'vrouwtje' bijna net zo zwart is als het mannetje.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. De populatie op Cyprus is groot en stabiel; in het gidsgebied speelt de soort alleen als doortrekker een rol.

Wetenschappelijke naam

Oenanthe cypriaca | (Homeyer, 1885)

Homeyer beschreef de soort in 1885 als Saxicola cypriaca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. cypriaca betekent 'van Cyprus', het eiland waar de soort als enige broedt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cyprus.