Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Bruine klauwier

Bruine klauwier | Lanius cristatus

Brown Shrike | Alcaudón pardo

Een Oost-Aziatische klauwier die in Siberië, Mongolië, China en Japan broedt en in India en Zuidoost-Azië overwintert. In het gidsgebied een zeldzame wintergast, met de meeste gevallen in de Verenigde Arabische Emiraten, Oman en Koeweit; enkele vogels bleven er de hele winter.

Bruine klauwier (Lanius cristatus)
Foto: Rose Thumboor — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter vaak roepend vanaf een uitkijkpost: een hard, ratelend tsjrrr-tsjrrr en een schor tsjèh. De zang, in het gebied zelden te horen, is een rustig gebabbel met imitaties.

Luister: RoepXC1178776

Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

17–20 cm. Een vrij forse, egaal warmbruine klauwier met een relatief grote kop, een zware, gehaakte snavel en een lange, smalle, sterk getrapte staart. Bovendelen, kruin en staart zijn roestbruin tot warmbruin, zonder het contrast van een roestrode staart tegen een grijzere rug. Het zwarte masker is breed en scherp, met daarboven een witte wenkbrauw en vaak een wit voorhoofd. De onderzijde is wit met warm geelbruine flanken. De vleugel is effen bruin zonder wit vlekje, met een korte handpenprojectie (vier of vijf pentoppen). Eerstejaars vogels hebben fijne donkere schubben op flanken en bovendelen en een bruiner masker. De ondersoort lucionensis heeft een grijze kruin en mantel.

Verwarrings­soorten

De Turkestaanse klauwier (Lanius phoenicuroides) en de Daurische klauwier (Lanius isabellinus) hebben een roestrode staart die afsteekt tegen een grijzere of zandkleurige rug, een fijnere snavel, een langere handpenprojectie en meestal een wit vlekje in de vleugel. Een jonge grauwe klauwier (Lanius collurio) heeft een kortere, minder getrapte staart met witte zijkanten, een langere handpenprojectie en sterkere schubben op de bovendelen. Bij een bruin ogende klauwier in de Golf moet elk kenmerk kloppen; hybriden en ruiende vogels zijn bekend.

Leefgebied

In het gidsgebied vooral in parken, tuinen, golfbanen, boerderijen en kwekerijen met struiken en open gazon; ook in struweel langs irrigatielandbouw en in bomengroepen in wadi's. Overwinteraars hebben een vast territorium en zitten dag na dag op dezelfde uitkijkposten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Verenigde Arabische Emiraten: een zeldzame maar inmiddels geregelde wintergast, met verschillende overwinterende vogels in parken en op boerderijen. Oman: eerste geval op 28 november 2008 bij Ayn Hamran in Dhofar, tot 2018 drie gevallen. Koeweit: enkele gevallen. Saoedi-Arabië: een enkele melding. Elders in het gebied niet zeker vastgesteld. Daarbuiten broedt hij van West-Siberië en Mongolië tot Kamtsjatka, Korea, China en Japan en overwintert hij van India en Sri Lanka tot Zuid-China, de Filipijnen en Indonesië. In Europa een zeldzame dwaalgast, vooral in het najaar.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kijk in de winter in de parken en op de golfbanen van de Emiraten en bij Ayn Hamran en Salalah in Dhofar naar klauwieren tussen de Daurische en Turkestaanse klauwieren. Let op de egaal warmbruine kleur zonder contrast met de staart, de zware snavel en de korte vleugel.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). Plaatselijk achteruitgegaan, onder meer in Japan, maar nog wijdverbreid. In het gidsgebied een zeldzame wintergast die in de laatste decennia vaker wordt gemeld, deels door betere kennis van de determinatie.

Wetenschappelijke naam

Lanius cristatus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Lanius voerde hij in datzelfde werk in. Lanius is Latijn voor 'slager', naar de gewoonte van klauwieren om prooien op doorns en prikkeldraad te spietsen. cristatus is Latijn voor 'gekuifd', hier in ruimere zin dan het woord doet vermoeden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bengalen.