Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Chinese woudaap

Chinese woudaap | Botaurus sinensis

Yellow Bittern | Avetorillo chino

Een kleine, zandbruine woudaap uit Zuid- en Oost-Azië die pas in 2012 in het gidsgebied werd ontdekt, toen bleek dat hij broedt in de mangroven van de zuidelijke Egyptische Rode Zeekust. Daarbuiten is hij in het gebied een zeldzame gast in Dhofar en aan de Saoedische Rode Zeekust.

Chinese woudaap (Botaurus sinensis)
Foto: Charles Lam from Hong Kong, China — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang, in de broedtijd dag en nacht te horen, is een zacht, herhaald oe-oe of oeh, zachter dan bij het woudaapje; opgejaagd een droog kak-kak.

Luister: DuetXC1145912

Opname: Ray Tsu 诸仁 — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Iets kleiner en slanker dan het woudaapje. Het mannetje heeft een zwarte kruin, maar een zandbruine tot geelbruine rug en mantel, een grote bleke, geelbeige vleugelvlek en effen bleke onderdelen met enkele vage lengtestrepen op de hals. Het vrouwtje heeft een bruine kruin en een vaag gestreepte rug en hals. In vlucht steken de zwarte handpennen en de zwarte staart sterk af tegen de bleke dekveren en de bruine rug. Snavel en poten geelachtig.

Verwarrings­soorten

Het woudaapje (Botaurus minutus), dat op trek ook in de Rode Zeemangroven verschijnt, is de grote valkuil: het mannetje heeft een zwarte rug en schouders, het vrouwtje een donkerdere, sterker gestreepte rug, en bij beide is het contrast tussen dekveren en handpennen in vlucht minder groot. Let daarom vooral op de rugkleur. De mangrovereiger (Butorides striata) is groter en grijs, zonder lichte vleugelvlek.

Leefgebied

In het gebied vrijwel uitsluitend in mangroven langs de Rode Zeekust, waar hij tussen de luchtwortels en in de lage kroon van de mangrovebomen foerageert; buiten het gebied ook rietvelden, rijstvelden en moerassen. De Omaanse waarnemingen komen van riet en open water bij de khawrs (kustlagunes) van Dhofar.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Egypte in april 2012 ontdekt bij Wadi Lahami ten zuiden van Marsa Alam, waar in dat voorjaar zingende vogels in een twaalftal mangrovebosjes werden gevonden; in 2013 werden daar nesten gevonden en was het broeden bevestigd. In Saoedi-Arabië werd de eerste vogel in augustus 2018 gefotografeerd in de mangroven van KAUST bij Thuwal; aan die slecht onderzochte kust broedt mogelijk onopgemerkt een kleine populatie. In Oman een zeldzame gast in Dhofar, met waarnemingen in november (onder meer Wadi Mughsayl 2014, Khawr Rawri 2017 en Dahariz bij Salalah 2024); opgaven van broeden in Zuid-Oman zijn slecht gedocumenteerd. Elders in het gebied niet zeker vastgesteld. Daarbuiten broedt hij van Pakistan en India tot Japan, de Filipijnen, Indonesië en Micronesië, en op de Seychellen; noordelijke vogels trekken naar Zuidoost-Azië.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De mangroven bij Wadi Lahami en Hamata zijn de enige plek in het gebied waar de soort met enige zekerheid te vinden is: luister van april tot juli in de schemering naar zingende vogels en kijk bij laagwater langs de randen van de bosjes. Verstoor de kleine populatie niet met langdurig geluid afspelen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. De Egyptische populatie is piepklein en volledig afhankelijk van een handvol mangrovebosjes aan een kust die snel wordt bebouwd met toeristische resorts; elke ingreep in deze bosjes kan haar doen verdwijnen.

Wetenschappelijke naam

Botaurus sinensis | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Ardea Sinensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Botaurus werd in 1819 ingevoerd door Stephens. Botaurus is middeleeuws Latijn voor 'roerdomp'; het woord verbindt het Latijnse bos 'rund' met taurus 'stier', naar de loeiende roep (vergelijk butire 'boemen'). sinensis is Latijn voor 'Chinees', naar China. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit China.