Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Donkere zanghavik

Donkere zanghavik | Melierax metabates

Dark Chanting Goshawk | Azor lagartijero oscuro

De donkere zanghavik is een middelgrote, grijze roofvogel met lange rode poten, die rechtop op een paal of boomtop zit en zijn naam dankt aan zijn fluitende, zingende roep. In het gebied leeft de vorm ignoscens in Zuidwest-Arabië; de Marokkaanse vorm theresae is sinds 2007 niet meer gezien en wordt voor uitgestorven gehouden.

Donkere zanghavik (Melierax metabates)
Foto: Jakob Horz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vooral in de broedtijd een versnellende reeks fluitende, melodieuze tonen, kli-u kli-u klu-klu-klu-klu, vanaf een zitplaats of in vlucht; ook een hoog piie-u.

Luister: RoepXC409422

Opname: Robert Davis — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

43–51 cm, spanwijdte 95–110 cm. De volwassen vogel heeft een leigrijze kop, borst en bovendelen, een fijn grijs-wit gebandeerde buik en een fijn grijs gebandeerde stuit. De washuid en de lange poten zijn oranjerood, het oog donker. In vlucht contrasteren de zwarte handpennen met de grijze armvleugel en de bovenvleugeldekveren; de lange, afgeronde staart is zwartachtig met een witte top en witte banden op de buitenste pennen. Vrouwtjes zijn gemiddeld groter dan mannetjes. De jonge vogel is bruin met een gestreepte borst, een rossig gebandeerde buik, een gebandeerde staart en geelachtige poten.

Verwarrings­soorten

De gabarhavik (Micronisus gabar) heeft dezelfde kleuren, maar is veel kleiner, met een helderwitte stuit. Het mannetje van de steppekiekendief (Circus macrourus) is ook grijs met zwarte vleugelpunten, maar slank en langgevleugeld, met lichte onderdelen, en jaagt in lage zweefvlucht. Jonge vogels kunnen op een jonge arendbuizerd (Buteo rufinus) lijken, maar die heeft kortere poten en een lichte, ongebandeerde staart.

Leefgebied

Open bos en savanne met verspreide bomen, in Arabië acaciabos, beboste wadi's en de uitlopers van het escarpement met akkers en boomgaarden; in Marokko arganbos en oude olijfgaarden. Zit lang rechtop op een uitkijkpost en duikt op hagedissen, knaagdieren, grote insecten en kleine vogels op de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Arabië een vrij schaarse standvogel in West-Jemen en Zuidwest-Saoedi-Arabië, in de Tihama, de uitlopers van het Asirgebergte en de beboste wadi's. In Marokko was de vorm theresae beperkt tot de arganbossen van de Soussvallei en de nabije uitlopers van de Anti-Atlas; in de jaren tachtig waren er nog enkele tientallen paren. Het laatste bewezen broedgeval dateert van 1979 in een oude olijfgaard; een onvolwassen vogel in 1999 wijst op broeden rond de eeuwwisseling, en daarna zijn alleen in 2000, 2006 en 2007 volwassen vogels in de Souss gezien. Ondanks jarenlang zoeken is de vorm sindsdien niet meer aangetroffen. Daarbuiten wijdverspreid in Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kijk in de Tihama en de uitlopers van het Asirgebergte naar een grijze roofvogel die rechtop op een boomtop of telegraafpaal zit. Waarnemingen in de Souss in Marokko zijn uiterst belangrijk en verdienen goede documentatie met foto's.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in Afrika wijdverspreid. De Marokkaanse vorm is waarschijnlijk uitgestorven door veranderend landgebruik, het kappen van arganbos en jacht. De geïsoleerde Arabische stand is kwetsbaar voor het kappen van bos in de Tihama en de uitlopers.

Wetenschappelijke naam

Melierax metabates | Heuglin, 1861

Heuglin beschreef de soort in 1861 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Melierax werd in 1840 ingevoerd door Gray. Melierax komt van het Griekse melos, 'lied', en hierax, 'havik' — naar de melodieuze, fluitende roep van de zanghaviken in de broedtijd. metabates komt van het Griekse metabatēs, 'springer, voltigeur', van meta, 'verandering', en batēs, 'die treedt' (van bainō, 'gaan'). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Witte Nijl tussen 6° en 7° NB, Zuid-Soedan.