Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Shikra

Shikra | Tachyspiza badia

Shikra | Gavilán chikra

De shikra is een kleine, bleke havik van open bos, acaciasavanne en oases, die vanaf een beschutte uitkijkpost hagedissen, grote insecten en kleine vogels slaat. In het gebied komen twee vormen voor: de Afrikaanse vorm sphenurus is een schaarse standvogel in Zuidwest-Arabië, de Aziatische vorm cenchroides een schaarse doortrekker en wintergast in het oosten van Arabië en Koeweit.

Shikra (Tachyspiza badia)
Foto: Judy Gallagher — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vrij luidruchtig rond het territorium, met een hoog, dubbel kie-wiek en een snelle reeks kiek-kiek-kiek, scherper en hoger dan bij de sperwer. Trekkers en wintergasten zijn meestal stil.

Luister: ZangXC1095965

Opname: isaac kilusu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

30–36 cm, spanwijdte 58–70 cm. Een kleine, compacte havik met vrij korte, afgeronde vleugels en een middellange staart. Het volwassen mannetje is bleek blauwgrijs boven, met een grijze wang zonder wenkbrauwstreep, een witte keel met een vage donkere middenstreep en fijne roestoranje bandering op borst en flanken; het oog is roodoranje. In vlucht valt de witte ondervleugel op, met alleen donkere toppen aan de buitenste handpennen. De middelste staartpennen zijn ongebandeerd grijs, de buitenste dragen smalle donkere banden. Het vrouwtje is iets groter en bruiner grijs boven, met een geel tot oranje oog. De jonge vogel is bruin boven en heeft op de witte onderdelen druppelvormige bruine lengtevlekken en een duidelijke donkere keelstreep. De Aziatische vorm is bleker en grijzer dan de Afrikaanse.

Verwarrings­soorten

De balkansperwer (Tachyspiza brevipes) lijkt sterk en trekt door hetzelfde gebied; hij is iets groter en langer gevleugeld, met een spitsere hand en een scherp zwarte vleugelpunt, en het mannetje is donkerder leigrijs boven met een donker oog. De sperwer (Accipiter nisus) heeft een duidelijke witte wenkbrauwstreep, een gebandeerde staart over de volle breedte en, bij het mannetje, oranje wangen. De gabarhavik (Micronisus gabar) in Zuidwest-Arabië heeft een witte stuit, rode poten en een fijn gebandeerde grijze borst. In vlucht kan de koekoek (Cuculus canorus) op een shikra lijken, maar die heeft spitse vleugels en een kleine kop.

Leefgebied

In Zuidwest-Arabië in acaciasavanne, beboste wadi's en oeverbos in de Tihama en de lagere hellingen van het Asirgebergte, ook in boomgaarden en rond dorpen. Op doortrek en in de winter in oases, boerderijen met bomen, parken en tuinen. Jaagt vanaf een verscholen zitpost in een boom op hagedissen, grote insecten, kleine vogels en knaagdieren, die hij meestal op de grond slaat.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

De Afrikaanse vorm sphenurus is een schaarse standvogel in het westen van Jemen en in Zuidwest-Saoedi-Arabië, in de Tihama en de uitlopers van het Asirgebergte. De Aziatische vorm cenchroides is een schaarse doortrekker en wintergast in Koeweit (bijvoorbeeld bij Al-Abraq, vooral in oktober en begin november, met enkele vogels die tot april of mei blijven), Oost-Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Oman. In Irak werd de soort voor het eerst met zekerheid vastgesteld tijdens veldwerk in 2015–2020 bij Ad-Daghara in de provincie Al-Qadisiyah. Daarbuiten wijdverspreid in Afrika ten zuiden van de Sahara, en van Iran en Centraal-Azië tot India en Zuidoost-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Zuidwest-Arabië zit de shikra vaak stil in een acacia langs een wadi; let op een kleine, bleke havik die laag naar de grond duikt. In Koeweit en Oost-Arabië zijn de oases en boerderijen met bomen in oktober de beste plek. Een volwassen mannetje is bleker en egaler dan een sperwer, zonder wenkbrauwstreep.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in grote delen van Afrika en Azië een algemene roofvogel. De kleine Arabische stand is weinig onderzocht en kwetsbaar voor het kappen van acaciabossen en de uitbreiding van landbouw en bebouwing in de Tihama.

Wetenschappelijke naam

Tachyspiza badia | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de soort in 1788 als Falco badius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tachyspiza werd in 1844 ingevoerd door Kaup. Tachyspiza is Grieks, van takhus 'snel' en spizias 'havik'. badia komt van het Latijnse badius, 'kastanjebruin' — naar de roodbruin gebandeerde onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sri Lanka.