Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Fluiter
Fluiter | Phylloscopus sibilatrix
Wood Warbler | Mosquitero silbador
De fluiter is een grote, langvleugelige boszanger die in Europa in hoog loofbos broedt en in het gidsgebied alleen als doortrekker op weg van en naar tropisch Afrika verschijnt. In het voorjaar trekt hij in aantal door Egypte, Libië en de Levant; dan zit hij kort in elke boomgroep, oase of tuin, soms ook al zingend.
Geluid
Twee zangtypen: een reeks tikjes die steeds sneller wordt en in een zinderende triller eindigt, sip-sip-sip-sipsipsirrrrrr, en een serie weemoedige fluittonen, djuu-djuu-djuu. Doortrekkers zingen in het voorjaar geregeld. De roep is een zacht, dalend djuu.
Opname: Sunny Tseng — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
11–12,5 cm. Groot en langgerekt voor een boszanger, met lange vleugels (de handpenprojectie ongeveer even lang als de tertials) en een korte staart. Het verenkleed is drieledig en scherp afgegrensd: helder geelgroen boven, citroengeel op wenkbrauwstreep, keel en bovenborst, en daaronder abrupt zuiver wit. De lange gele wenkbrauwstreep contrasteert met een donkere oogstreep; dekveren en tertials hebben geelgroene randen. Poten licht geelbruin. Geslachten gelijk; najaarsvogels zijn iets doffer.
Verwarringssoorten
De fitis (Phylloscopus trochilus) is kleiner en minder contrastrijk, met geel dat diffuus tot op de flanken doorloopt en een kortere handpenprojectie. De tjiftjaf (Phylloscopus collybita) is compacter, bruiniger en donkerpotig, zonder gele keel. De bergfluiter (Phylloscopus bonelli) en de balkanbergfluiter (Phylloscopus orientalis) zijn grijzer en wit onder, zonder geel op keel en borst, met een gele stuit en een groen vleugelpaneel. De groene fitis (Phylloscopus nitidus) heeft een vleugelstreep en geel tot op de buik.
Leefgebied
Broedt in hoog, schaduwrijk loofbos met weinig ondergroei. Op de trek in elke plek met bomen of struiken: oases, dadelpalmtuinen, tamariskstruwelen langs wadi's, parken, tuinen en kustbosjes; foerageert vooral in het bladerdak.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Doortrekker, in het voorjaar talrijker dan in het najaar: door Libië (vooral Cyrenaica en Tripolitanië), Tunesië, Egypte (Nijldal, noordkust, Sinaï), Israël, Jordanië, Libanon en Syrië, waar hij eind april en begin mei vrij algemeen is. In Marokko en Algerije schaars, vooral in het voorjaar in het oosten; in Irak en op het Arabisch Schiereiland schaars tot zeldzaam (West-Saoedi-Arabië, Jemen), en in Koeweit, de Emiraten en Oman een dwaalgast. In het najaar trekt hij meer over het centrale Middellandse Zeegebied en is hij in de Levant onopvallend. Broedt van West-Europa tot West-Siberië en overwintert in het bosgebied van West- en Centraal-Afrika.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Eind april en begin mei in een oase of park langs de trekroute: in de Sinaï, bij Eilat of in de tuinen van de Libische en Egyptische kust. Let op een slanke, felgele en witte boszanger die hoog in een boom foerageert; zingende doortrekkers verraden zich met de versnellende triller.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in grote delen van West- en Midden-Europa sterk afgenomen, vermoedelijk door veranderingen in bosbeheer, in de overwinteringsgebieden en langs de trekroute. In het gidsgebied gaat het alleen om doortrekkers, die gevoelig zijn voor droogte in de Sahara en voor vangst in Noord-Afrika.
Wetenschappelijke naam
Phylloscopus sibilatrix | (Bechstein, 1792) (GBIF: Phylloscopus sibillatrix)
Bechstein beschreef de soort in 1792 als Motacilla Sibilatrix; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. sibilatrix is Latijn voor 'fluitster', van sibilare 'fluiten', naar de trillende zang van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de bergen van Thüringen.


