Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Graspieper

Graspieper | Anthus pratensis

Meadow Pipit | Bisbita pratense

De graspieper is de kleine, olijfbruine, overal gestreepte pieper die in de winter in grote aantallen uit Europa en West-Siberië naar het noorden van het gebied komt. Op de akkers van de Maghreb, in de Nijldelta en op de velden van de Levant en Irak is hij van oktober tot maart een van de meest gewone zangvogels; naar het zuiden, de Sahara en het Arabisch Schiereiland in wordt hij snel schaarser.

Graspieper (Anthus pratensis)
Foto: Jenny Jones — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is het beste kenmerk: een dun, hoog ist of tsiep, vrijwel altijd twee tot vier keer snel herhaald, ist-ist-ist, in een stotterend reeksje bij het opvliegen. Boompieper en waterpieper roepen enkelvoudig en voller. De zang, een versnellende reeks tsip-tsip-tsip in een parachutevlucht die eindigt in een trager sia-sia-sia, is in het gebied hooguit in maart even te horen.

Luister: VluchtroepXC1184868

Opname: Philippe Grange — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–15,5 cm, klein en slank, met een dunne, spitse snavel. De bovenzijde is olijfbruin tot grijsbruin met donkere strepen, de onderzijde vuilwit tot geelbeige, met strepen die op borst én flanken even zwaar doorlopen. De poten zijn bleek vleeskleurig tot oranjeroze; de achternagel is lang, dun en vrijwel recht, langer dan de achterteen. Het gezicht is vlak en weinig getekend: een smalle lichte oogring, een vage wenkbrauwstreep, geen lichte vlek achter het oorveld. De buitenste staartpennen zijn wit. Loopt laag en schokkerig over de grond en vliegt met een licht, golvend en wat aarzelend vluchtje op.

Verwarrings­soorten

De boompieper (Anthus trivialis) is in het gebied vooral een doortrekker in maart–april en september–oktober, dus net buiten het seizoen van de graspieper; hij is warmer van kleur, heeft zware borststrepen maar fijne flankstrepen, een korte, gebogen achternagel en roept één schor bziez. De roodkeelpieper (Anthus cervinus) overwintert op dezelfde natte velden, ook langs de Nijl; buiten de rode keel heeft hij een gestreepte stuit, witte mantelstrepen en zwarte flankstrepen, en een lang, ijl, wegzakkend psiieh. De waterpieper (Anthus spinoletta) is groter, met donkere poten, een witte wenkbrauwstreep en een volle, enkelvoudige roep. Een jonge duinpieper (Anthus campestris) is groter, langpotiger en bleker.

Leefgebied

In de winter open, laag begroeid land met wat vocht: akkers, braakland en weiden, natte graslanden langs rivieren en meren, irrigatielandbouw en luzernevelden, slibranden van moerassen, kustvlakten en open garrigue, in de Atlas tot op de hoogvlakten. Foerageert vaak in losse groepen, ook samen met roodkeelpiepers en kwikstaarten. Mijdt echte woestijn, maar duikt tijdens de trek in oases en op irrigatievelden midden in de Sahara en Arabië op.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Geen broedvogel in het gebied. Talrijke wintergast in het noorden van Marokko, Algerije en Tunesië en langs de kust van Libië, verder op de hoogvlakten en tot aan de noordrand van de Sahara. In Egypte talrijk in de Nijldelta en de Nijlvallei, schaarser in de Sinaï en de oases. In de Levant (Israël, Samaria en Judea, Libanon, Syrië, Noordwest-Jordanië) en in Irak gewoon tot talrijk; in Koeweit en Noord- en Oost-Saoedi-Arabië gewoon. In Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en Noord-Oman een onregelmatige, meest schaarse wintergast, zeldzaam verder naar het zuiden en in Jemen. Daarbuiten broedt de soort van IJsland en de Britse Eilanden door Noord- en Midden-Europa tot West-Siberië, en overwintert hij in West- en Zuid-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten tot in Iran.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop in december of januari langs de rand van een natte akker of een irrigatieveld in de Maghreb, de Nijldelta of de Hula-vallei: de graspiepers springen in losse groepjes voor je voeten op met hun stotterende ist-ist-ist. Let tussen de graspiepers op roodkeelpiepers en waterpiepers, die vaak op dezelfde plek zitten.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in grote delen van het Europese broedgebied in aantal achteruitgegaan door intensivering van de landbouw en verlies van ruige graslanden. In het gebied is de soort als wintergast nog steeds talrijk; de verdeling over de winterplaatsen verschuift met zachtere winters.

Wetenschappelijke naam

Anthus pratensis | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alauda pratensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. pratensis is Latijn voor 'van de weide', van pratum 'weiland'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.