Alle soorten › Hoppen en neushoornvogels › Neushoornvogels › Grijze tok

Grijze tok | Lophoceros nasutus

African Grey Hornbill | Toco piquinegro

De enige neushoornvogel van het gidsgebied: een slanke, grijsbruine tok met een gebogen, donkere snavel en een brede witte wenkbrauwstreep. Hij leeft in de acaciawadi's en het doornstruweel van de Tihama en de voetheuvels van Zuidwest-Saoedi-Arabië en West-Jemen, de noordoostelijke uitloper van een verspreidingsgebied dat verder over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara reikt.

Grijze tok (Lophoceros nasutus)
Foto: Thom Haslam — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks klagelijke, fluitende noten, pie-pie-pie-pieuw-pieuw, die aanzwelt en weer wegzakt. Bij het roepen richt de vogel de snavel omhoog en slaat bij elke noot de vleugels half open; paren roepen zo in duet.

Luister: ZangXC939026

Opname: Magnus Wadstein — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 46 cm, met een lange staart en een lange, gebogen snavel. Kop en bovendelen grijsbruin, de dekveren smal licht gezoomd, en een smalle witte lengtestreep over de rug, vooral zichtbaar in vlucht. Een brede witachtige wenkbrauwstreep loopt van het oog tot in de nek; de borst is grijsbruin, de buik vuilwit. De staart is donker met witte punten aan de buitenste pennen. Het mannetje heeft een zwarte snavel met een crèmekleurige streep langs de basis van de bovensnavel en een kleine kam; bij het vrouwtje is de bovensnavel grotendeels crème met een roodbruine punt. De Arabische vogels behoren tot de ondersoort forskalii. Vliegt golvend, afwisselend fladderend en glijdend.

Verwarrings­soorten

In Arabië komen geen andere neushoornvogels voor, zodat hij daar nauwelijks te verwarren is. Op afstand en in vlucht kan hij door de lange staart en het golvende vliegen aan een koekoek als de kuifkoekoek (Clamator glandarius) doen denken, maar de zware gebogen snavel en de witte wenkbrauw sluiten die uit.

Leefgebied

Acaciastruweel en open acaciabos in wadi's en op de lagere hellingen van het westelijk randgebergte, van de Tihama tot ongeveer 2000 m, ook bomenrijke randen van terrassenlandbouw. Eet vooral in bomen: sprinkhanen, rupsen en andere insecten, hagedissen en vruchten, waaronder vijgen. Broedt in een natuurlijke boomholte die het vrouwtje met modder en mest dichtmetselt tot een smalle spleet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Standvogel in Zuidwest-Saoedi-Arabië, in de voetheuvels en wadi's van Asir, Al Baha en Jizan en plaatselijk in de Tihama, en in West-Jemen, langs de westelijke en zuidelijke hellingen van het hoogland tot in het achterland van Aden. Elders in het gidsgebied geen zekere moderne waarnemingen. Daarbuiten over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal en Mauritanië tot Ethiopië en Somalië en zuidwaarts tot Noord-Zuid-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem in de beboste wadi's onder het randgebergte, bijvoorbeeld rond Abha en de wadi's naar de Tihama of bij Taizz in Jemen. Het klagelijke, aanzwellende fluiten verraadt hem vaak al voordat je hem ziet; in de ochtend zitten paren roepend in de toppen van de acacia's.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Afrika algemeen. In Arabië beperkt tot een smalle strook in het zuidwesten, waar hij afhankelijk is van oude acacia's en vijgenbomen met holten; kap voor brandhout en houtskool en overbegrazing zijn plaatselijk een bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Lophoceros nasutus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Buceros nasutus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lophoceros werd in 1833 ingevoerd door Hemprich & Ehrenberg. Lophoceros komt van het Griekse lophos, 'kam, kuif', en keras, 'hoorn' — naar de kamvormige verhoging (casque) op de snavel. nasutus is Latijn voor 'met een grote neus' — naar de forse, gebogen snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.