Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Groenling
Groenling | Chloris chloris
European Greenfinch | Verderón común
De groenling is een stevige, olijfgroene vink met gele vleugel- en staartvlakken, in het gidsgebied een algemene broedvogel van tuinen, boomgaarden en bosranden in de Maghreb en de Levant. In de winter verschijnen er ook vogels uit het noorden en oosten.
Geluid
De zang bestaat uit twee delen: een snelle, klingelende triller vanuit een boomtop of tijdens een trage, vleermuisachtige zangvlucht, en een langgerekt, nasaal en zeurderig dzjwèèh. De vluchtroep is een snel, ratelend tjup-tjup-tjup.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
14,5–16 cm, gedrongen, met een grote kop, een korte, gevorkte staart en een dikke, bleek roze kegelsnavel. Het mannetje is olijfgroen met een grijzige waas op wang en vleugel, een gelere borst en stuit, en heldergele randen langs de handpennen en gele vlakken aan de staartbasis; in vlucht zijn die gele vlakken het beste kenmerk. Het vrouwtje is grijsgroener en vaag gestreept op de rug, met minder geel. Jonge vogels zijn bruinig en duidelijk gestreept, maar hebben al geel in vleugel en staart. Mannetjes in de Maghreb zijn vaak opvallend geel tot oranjegeel op de onderdelen; die in de Levant zijn kleiner en bleker.
Verwarringssoorten
De sijs (Spinus spinus), een wintergast in het noorden van het gebied, is veel kleiner, zwaar gestreept op de flanken, met een dun puntig snaveltje en een gele vleugelstreep dwars over de vleugel. De Europese kanarie (Serinus serinus) en de Syrische kanarie (Serinus syriacus) zijn kleiner, met een minuscuul snaveltje en, bij de Europese kanarie, sterk gestreepte flanken. Jonge groenlingen kunnen aan een vrouwtje huismus doen denken, maar het geel in vleugel en staart beslist het.
Leefgebied
Tuinen, parken, boomgaarden, olijfgaarden, bomenrijen en open bos met struiken, van de kust tot in de middelgebergten van de Atlas en de Levant; ook cipressen en sierbomen in dorpen en steden. In de winter in groepen op akkers, braakland en bij zaadrijke ruigte. Eet vooral zaden, ook van zonnebloemen en kruisbloemigen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Marokko, Noord-Algerije, Noord-Tunesië en Noordwest-Libië en Cyrenaica, en in de Levant: Israël, Samaria en Judea, Libanon, Noordwest-Jordanië en West-Syrië, tot in Noord-Irak. In de winter schaars in Egypte (vooral de noordkust en de Nijldelta) en Midden- en Zuid-Irak; in Koeweit en Noord-Saoedi-Arabië een zeldzame wintergast, verder naar het zuiden een dwaalgast. Daarbuiten in vrijwel heel Europa, Turkije, de Kaukasus en Iran tot Centraal-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de Maghreb en de Levant het hele jaar te vinden in parken en tuinen met hoge bomen; in het voorjaar verraadt het zeurderige dzjwèèh de zingende mannetjes. In de winter kijken in groepen vinken op akkers en braakland.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In delen van Europa is de soort sterk afgenomen door de parasiet Trichomonas; in het gidsgebied is weinig bekend over trends, maar de soort is algemeen. Ook wordt hij in de Maghreb en de Levant voor de kooivogelhandel gevangen.
Wetenschappelijke naam
Chloris chloris | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia chloris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chloris werd in 1800 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Chloris is de Oud-Griekse naam voor deze vogel, khloris, van khloros 'groen'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


