Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Grote karekiet

Grote karekiet | Acrocephalus arundinaceus

Great Reed Warbler | Carricero tordal

De grote karekiet is de grootste karekiet van het gebied, een forse, warmbruine rietvogel met een luide, krassende zang die over het hele moeras schalt. Hij broedt in de grote rietmoerassen van de Maghreb, de Levant en Mesopotamië en trekt in groten getale door het hele gebied naar Afrika ten zuiden van de Sahara.

Grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus)
Foto: Carles Pastor — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is luid, laag en krassend, met korte, herhaalde motieven, als een kikker die probeert te zingen: karre-karre-kiet-kiet, gurk-gurk, kerra-kerra-kiet. Zingt vaak vanaf de top van een rietstengel, ook 's nachts. De roep is een hard tsjak en een rauw, ratelend krrr.

Luister: ZangXC1167035

Opname: Meena Haribal — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm. Lijkt op een uitvergrote kleine karekiet, zo groot als een lijster. Bovendelen warm bruin, de stuit iets warmer; onderdelen vuilwit met okerbeige flanken, de keel soms fijn grijs gestreept. Een duidelijke, lichte wenkbrauwstreep tot achter het oog en een donkere teugel. De snavel is lang, fors en dik aan de basis. Lange handpenprojectie. Poten grijsbruin. De oostelijke vorm zarudnyi (Irak en verder oostwaarts) is koeler olijfbruin en bleker van onderen dan de westelijke vogels.

Verwarrings­soorten

De indische karekiet (Acrocephalus stentoreus), standvogel in de Nijlvallei, de Levant en langs de Rode Zee en de Golf, heeft een langere, dunnere snavel, kortere, rondere vleugels met een korte handpenprojectie, een minder duidelijke wenkbrauwstreep en een meer melodieuze, minder krassende zang. De basrakarekiet (Acrocephalus griseldis) is kleiner en slanker, koel grijsbruin met witte onderdelen en een dunne snavel. De kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus) is veel kleiner, met een fijnere snavel en een vagere wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Brede, hoge rietkragen langs open water: meren, moerassen, rivieroevers, stuwmeren, visvijvers en waterzuiveringen, ook in oases met riet. Op de trek ook in struiken, tamarisken en tuinen ver van water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedvogel in de rietmoerassen van Marokko, het noorden van Algerije en Tunesië, Israël, Jordanië, Libanon, Syrië en Irak, in het laatste land als vorm zarudnyi en algemeen in de Mesopotamische moerassen. Talrijke doortrekker door het hele gebied, van de oases van de Sahara, Libië en Egypte tot Saoedi-Arabië, Jemen, Oman, de Verenigde Arabische Emiraten en de overige Golfstaten; in het voorjaar opvallend in de Sinaï, Eilat en de Jordaanvallei. Een enkele vogel overwintert in Egypte en Arabië. Daarbuiten van Iberië en Europa tot Centraal-Azië; overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In mei bij een rietkraag van Merja Zerga, de Hula of de Mesopotamische moerassen: het luide gekras is van ver te horen en de zanger zit vaak in het zicht op een rietpluim. Op de trek kan hij overal opduiken, ook in een struik midden in een woestijnoase.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Plaatselijk achteruitgegaan door het droogleggen van moerassen, het verdwijnen van brede, overjarige rietkragen en verdroging, in het gidsgebied vooral in Noord-Afrika en Mesopotamië.

Wetenschappelijke naam

Acrocephalus arundinaceus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Turdus arundinaceus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. arundinaceus is Latijn voor 'rietachtig', van arundo, genitief arundinis, 'riet'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit noordelijk Europa.