Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Struikrietzanger

Struikrietzanger | Acrocephalus dumetorum

Blyth's Reed Warbler | Carricero de Blyth

De struikrietzanger is een effen, grijsbruine karekiet van struweel en bosranden, die van Oost-Europa en Siberië naar het Indisch subcontinent trekt. Zijn trekroute raakt alleen het oosten van het gidsgebied: in Irak, Koeweit, Oost-Saoedi-Arabië en de Golfstaten is hij een schaarse doortrekker, verder naar het westen een zeldzaamheid.

Struikrietzanger (Acrocephalus dumetorum)
Foto: Aparajita Datta — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is langzaam en zuiver, met herhaalde, fluitende motieven en imitaties, telkens onderbroken door een droog tsjek: tsjek ... tsjuu-tsjuu-tsjuu ... tsjek ... lu-lu-lu. De roep is een kenmerkend, zacht tsjek of een smakkend tak, harder en droger dan dat van de kleine karekiet.

Luister: ZangXC1179902

Opname: Cedric Mroczko — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12,5–14 cm. Bovendelen effen, koel olijfgrijs tot grijsbruin, zonder warme tint op de stuit. De wenkbrauwstreep is kort maar duidelijk vóór het oog, en loopt nauwelijks verder dan het oog; de kop oogt rond met een vrij steil voorhoofd. Snavel middellang, met een donkere punt aan de ondersnavel. Onderdelen vuilwit, flanken vaag grijsbeige. Vleugels effen, zonder lichte zomen op de tertials; de handpenprojectie is kort. Poten donker grijsbruin. Beweegt rustiger dan de kleine karekiet en tikt soms met de staart.

Verwarrings­soorten

De kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus), ook de oostelijke vorm fuscus, heeft een warmere stuit, een vlakker voorhoofd, een langere handpenprojectie en lichte zomen op de tertials. De bosrietzanger (Acrocephalus palustris) is geler olijfbruin, met een lange handpenprojectie, lichte zomen op de tertials en bleke poten. De veldrietzanger (Acrocephalus agricola) is warmer bruin, met een korte snavel en een brede wenkbrauwstreep die achter het oog doorloopt. De kleine spotvogel (Iduna caligata) en Sykes' spotvogel (Iduna rama) zijn bleker en zandkleuriger, met witte zomen aan de buitenste staartpennen.

Leefgebied

Op de trek in struiken, tamarisken, tuinen, parken, ruige randen van akkers en waterzuiveringen, minder aan echt riet gebonden dan de kleine karekiet. Zoekt laag in dichte begroeiing naar insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Schaarse maar regelmatige doortrekker in Irak, Koeweit, Bahrein, Qatar, Oost-Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Oman, met de meeste waarnemingen in het voorjaar (april – mei) en de herfst (augustus – oktober). In Israël, Jordanië, Syrië en Egypte een dwaalgast; in de Maghreb niet of nauwelijks vastgesteld. Broedt van Oost-Fennoscandinavië en de Baltische staten door Rusland tot in Centraal-Siberië en Centraal-Azië en overwintert in India, Sri Lanka en Myanmar.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Begin mei of eind september bij een ringstation of in een groene tuin met dichte struiken in Koeweit of de Emiraten. Let op een effen grijsbruine karekiet zonder warme stuit, met een korte wenkbrauwstreep vóór het oog en een droog tsjek; zekerheid geeft vaak alleen de vleugelformule in de hand.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Europa sterk uitbreidend naar het westen. In het gidsgebied een schaarse doortrekker die vermoedelijk vaak over het hoofd wordt gezien of met de kleine karekiet wordt verward.

Wetenschappelijke naam

Acrocephalus dumetorum | Blyth, 1849

Blyth beschreef de soort in 1849 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. dumetorum is Latijn voor 'van de struiken', de tweede naamval meervoud van dumetum 'struikgewas'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit India.