Alle soorten › Zangvogels › Monarchen › Indiase paradijsmonarch

Indiase paradijsmonarch | Terpsiphone paradisi

Indian Paradise Flycatcher | Monarca colilargo indio

Een slanke vliegenvanger met een glanzend zwarte kop en kuif, waarvan het mannetje roestrood of geheel wit is en lange staartlinten draagt. Hij broedt van Turkmenistan en Afghanistan tot India en is in het gidsgebied een zeldzame dwaalgast, vooral in Oman en de Verenigde Arabische Emiraten.

Indiase paradijsmonarch (Terpsiphone paradisi)
Foto: Sudipta Maulik — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hard, schor tsjè of tsjwè; de zang, in de broedtijd, een korte, kabbelende reeks fluittonen. Dwaalgasten zijn vaak stil.

Luister: RoepXC346190

Opname: Jim Holmes — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

19–50 cm; het lichaam meet 19–22 cm, de twee middelste staartpennen van het volwassen mannetje kunnen tot 30 cm lang zijn. Kop, kuifje en keel zijn glanzend blauwzwart, met een blauwe oogring en een blauwige snavel. Het mannetje komt in twee vormen voor: roestrood van boven met een lichtgrijze borst en witte buik, of vrijwel geheel wit met zwarte schachtstrepen in vleugels en staart; tussenvormen bestaan ook. Het vrouwtje en jonge mannetjes zijn roestrood van boven, met een grijze keel en borst, een witte buik en geen staartlinten; jonge mannetjes krijgen de linten pas in het tweede of derde jaar. De vogels die het gebied bereiken behoren waarschijnlijk tot de noordwestelijke ondersoort leucogaster, waarvan veel oude mannetjes wit zijn.

Verwarrings­soorten

De Afrikaanse paradijsmonarch (Terpsiphone viridis), standvogel in Zuidwest-Arabië, heeft een leigrijze borst en buik en lichtgrijze onderstaartdekveren, zonder de witte buik; witte mannetjes zijn in Arabië vrijwel altijd Indisch. Een vrouwtje kan bij een korte blik aan een grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata) doen denken, maar die heeft geen zwarte kop en geen roestrood.

Leefgebied

In het broedgebied loofbos, oeverbos, boomgaarden en tuinen met hoge bomen, vaak bij water. In het gidsgebied werden de vogels gezien in parken, tuinen, dadelpalmtuinen en boomrijke wadi's, meestal in de schaduw van het middelste deel van de boomkruin, waar ze op vliegende insecten jagen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied een zeldzame dwaalgast, met enkele waarnemingen in Oman en de Verenigde Arabische Emiraten, vooral in de herfst en winter; elders in het gebied zijn geen zekere waarnemingen bekend. Daarbuiten broedt hij van Turkmenistan, Oezbekistan, Tadzjikistan en Afghanistan door Pakistan, Noord- en Midden-India en de Himalaya tot Nepal; in Zuid-India en Sri Lanka is hij standvogel. Noordelijke vogels overwinteren in Zuid-India en Sri Lanka.

Hoe en wanneer kijken

Er is geen vaste plek. De kans is het grootst in de groene parken en tuinen van de Emiraten en Noord-Oman, en in Dhofar, waar ook de Afrikaanse paradijsmonarch voorkomt; een witte paradijsmonarch daar verdient een goede foto.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Zuid-Azië algemeen. In het gidsgebied een zeldzame dwaalgast zonder vestiging.

Wetenschappelijke naam

Terpsiphone paradisi | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Corvus paradisi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Terpsiphone werd in 1827 ingevoerd door Gloger. Terpsiphone komt van het Griekse terpsis, 'genot, vreugde', en phōnē, 'stem' — naar de aangename zang van paradijsmonarchen. paradisi is Latijn voor 'van het paradijs', naar de prachtige lange staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit India.