Alle soorten › Zangvogels › Monarchen › Afrikaanse paradijsmonarch

Afrikaanse paradijsmonarch | Terpsiphone viridis

African Paradise Flycatcher | Monarca colilargo africano

Een kleine, rusteloze vliegenvanger met een glanzend zwarte kop, een roestrode rug en een grijze onderzijde, waarvan het mannetje lange, lintvormige middelste staartpennen draagt. In het gidsgebied leeft hij alleen in het zuidwesten van Arabië, van het Asir-gebergte in Saoedi-Arabië door Jemen tot Dhofar in Oman, in de Arabische ondersoort harterti.

Afrikaanse paradijsmonarch (Terpsiphone viridis)
Foto: Rogerirakoze — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een raspend, scheldend zwee-zwiet of sjwee-sjwee, vaak het eerste teken van aanwezigheid. De zang is een snelle reeks heldere, fluitende tonen, twie-tiedel-ie-tie-tie.

Luister: AlarmroepXC1059308

Opname: Tim Cockcroft — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–41 cm; het lichaam meet 17–20 cm, het mannetje in broedkleed draagt daarbij staartlinten van soms meer dan 20 cm. Kop, kuifje en keel zijn glanzend blauwzwart, met een smalle blauwe oogring en een blauwe snavel. Rug, vleugels en staart zijn warm roestrood; borst en buik leigrijs, de onderstaartdekveren lichter. Het vrouwtje is doffer, met een kortere kuif en zonder staartlinten; jonge mannetjes hebben kortere linten. Witte mannetjes, met witte rug en staart, komen in Arabië vrijwel niet voor. Voortdurend in beweging, met hangende vleugels en waaierende staart.

Verwarrings­soorten

In het gebied nauwelijks te verwarren. De indiase paradijsmonarch (Terpsiphone paradisi), een zeldzame dwaalgast in Oman en de Emiraten, heeft een witte buik en onderstaart in plaats van een grijze onderzijde; witte mannetjes van die soort zijn in Arabië eerder Indisch dan Afrikaans. Vrouwtjes kunnen bij slecht zicht aan een grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata) doen denken, maar die is grijsbruin en gestreept, zonder roestrood en zwarte kop.

Leefgebied

Jeneverbesbos en ander bergbos in het Asir-gebergte en de Jemenitische hooglanden, beboste wadi's met vijgen, tamarinden en acacia's, en in Dhofar het moessonbos van de kustbergen; daarnaast tuinen, plantages en boomrijke dorpen. Zoekt schaduw en water: in droog land gebonden aan bronnen en beken met hoge bomen. Jaagt in het middelste deel van het bladerdak op vliegende insecten. Het nestje is een klein, met spinrag bekleed kommetje op een dunne tak, vaak boven water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Saoedi-Arabië in het Hejaz- en Asir-gebergte en de beboste wadi's aan de voet ervan, van de omgeving van Taif zuidwaarts naar de Jemenitische grens. In Jemen verspreid in de hooglanden en op de beboste hellingen naar de Tihama en de zuidkust. In Oman alleen in Dhofar, in de wadi's en het moessonbos van de kustbergen rond Salalah. Niet op Socotra. Buiten de broedtijd zakt een deel naar lagere wadi's en de kustvlakte; elders in Arabië is de soort zeer zeldzaam. Daarbuiten in vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Dhofar zijn Ayn Razat, Ayn Hamran en Wadi Darbat bij Salalah klassieke plekken: let in de schaduw van de vijgenbomen bij de bronnen op de scheldende roep en een mannetje met wapperende staartlinten. In Saoedi-Arabië is het jeneverbesbos rond Abha en de Raydah-helling goed.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Afrika algemeen. De Arabische populatie is beperkt tot de bergen en wadi's van het zuidwesten en is daar plaatselijk algemeen; achteruitgang van het jeneverbesbos, overbegrazing, het droogvallen van bronnen en kap van wadibomen kunnen lokaal gevolgen hebben.

Wetenschappelijke naam

Terpsiphone viridis | (Müller, 1776)

Müller beschreef de soort in 1776 als Muscicapa viridis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Terpsiphone werd in 1827 ingevoerd door Gloger. Terpsiphone komt van het Griekse terpsis, 'genot, vreugde', en phōnē, 'stem' — naar de aangename zang van paradijsmonarchen. viridis is Latijn voor 'groen' — naar de groenblauwe metaalglans op kop en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.