Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Indische karekiet
Indische karekiet | Acrocephalus stentoreus
Clamorous Reed Warbler | Carricero estentóreo
De Indische karekiet is de grote karekiet die blijft: een forse, langsnavelige rietzanger die het hele jaar in het riet van de Nijl en de Levant en in de mangroven en rietmoerassen van Arabië zit. Zijn luide, krassende zang hoort bij elk groot rietveld in Israël, Egypte en de Golfstaten.
Geluid
Een luide, harde, krassende zang van korte, snel herhaalde motieven, meer klettert dan hakkelt: kre-kre-kre-tjak-tjak-tsjirr, in een vlak, doorlopend tempo, zonder de diepe en schelle uitersten van de grote karekiet. Zingt van februari tot in de zomer, vanaf een rietpluim of een mangrovetak, ook 's nachts. Roep: een diep tsjerr en een hard tsjak.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
18–20 cm. Een grote karekiet, even lang als de grote karekiet maar slanker, met een langere, getrapte staart. De snavel is lang, dun en geleidelijk toelopend onder een vlak voorhoofd, zodat kop en snavel één spitse lijn vormen. Bovendelen dof olijf- tot grijsbruin, onderdelen vuilwit met okerbruine flanken en onderstaartdekveren; de wenkbrauwstreep is smal, kort en vaag. De vleugel is rond met een korte handpenprojectie, ongeveer de helft van het zichtbare deel van de armpennen. De Arabische vorm brunnescens is valer en grijzer dan de warmere vogels van de Nijl en de Levant. Geslachten gelijk.
Verwarringssoorten
De grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus) is in het voorjaar en de nazomer de belangrijkste verwarring: hij heeft een kortere, dikkere snavel, een duidelijker wenkbrauwstreep, een lange handpenprojectie met een spitse vleugelpunt en een trager, dieper gehakkel met kikkertonen; van november tot maart is hij afwezig. De basrakarekiet (Acrocephalus griseldis), in de moerassen van Zuid-Irak, is kleiner, kouder grijsbruin boven en witter onder, met een lange, slanke snavel en een zachtere, minder harde zang. De kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus) is veel kleiner en zingt in gelijkmatige, kabbelende motieven.
Leefgebied
Hoog, permanent nat riet en lisdodde langs rivieren, kanalen, visvijvers, rioolwaterplassen en meren; in Arabië ook de mangroven langs de Rode Zee, de Arabische Zee en de Perzische Golf. Profiteert sterk van kunstmatige wetlands, zoals irrigatieafvoeren en zuiveringsvijvers in de woestijn. Eet insecten en hun larven, slakjes en soms kleine kikkers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Standvogel. In Egypte in de Nijldelta, het Nijldal, Wadi Natrun, de oases van de Westelijke Woestijn en langs het Suezkanaal; in Israël algemeen in de Hulavallei, de kustvlakte, de Jordaanvallei, rond de Dode Zee en bij Eilat; in Jordanië in de Jordaanvallei en bij Azraq; schaars in Libanon en Syrië. In Arabië broedt de vorm brunnescens van oudsher in de mangroven van de Rode Zee (Saoedi-Arabië en Jemen), van de kust van Oman en van de Verenigde Arabische Emiraten; sinds de jaren zeventig heeft hij zich via oases en kunstmatige rietmoerassen uitgebreid in het oosten van Saoedi-Arabië (Al-Hufuf, Dammam, Jubail) en Bahrein, en in de jaren negentig bereikte hij Qatar en Koeweit. In Irak schaars en weinig bekend. Daarbuiten van Zuidwest- en Centraal-Azië tot India, Zuidoost-Azië en Australië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Eén van de makkelijkste zangers van het gebied: elk rietveld in de Hulavallei, bij de Dode Zee of in de zuiveringsvijvers van Eilat, en de mangroven van Khor Kalba en Abu Dhabi. In de winter zit hier alleen deze soort, en dan is hij met een rond vleugeltje en een lange snavel het best te bekijken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied stabiel tot toenemend dankzij kunstmatige wetlands; plaatselijk kwetsbaar door het droogleggen van moerassen en het kappen van mangroven langs de Golfkust.
Wetenschappelijke naam
Acrocephalus stentoreus | (Hemprich & Ehrenberg, 1833)
Hemprich & Ehrenberg beschreef de soort in 1833 als Curruca stentorea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. stentoreus is Latijn, uit het Griekse stentoreios 'met een luide stem', naar Stentor, de heraut uit de Ilias die zo hard riep als vijftig man. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Damietta in Egypte.


