Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Veldrietzanger
Veldrietzanger | Acrocephalus agricola
Paddyfield Warbler | Carricero agrícola
De veldrietzanger is een kleine, warmbruine rietvogel uit de steppen rond de Zwarte en Kaspische Zee en Centraal-Azië, die overwintert op het Indisch subcontinent. Zijn trekroute loopt grotendeels ten noorden en oosten van het gidsgebied; in de Golfstaten en Israël is hij een zeldzame dwaalgast, vooral in de herfst.
Geluid
De zang is een vrij snelle, gevarieerde reeks kwetterende en zuivere tonen met veel imitaties, sneller en melodieuzer dan die van de kleine karekiet. De roep is een zacht tsjik of tsjek en een hard, ratelend tsjrr; dwaalgasten in de herfst zijn meestal stil.
Opname: Arend Wassink — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm. Een kleine, ongestreepte karekiet met een korte snavel met een donkere punt aan de ondersnavel, en een opvallend gezichtspatroon: een brede, witte wenkbrauwstreep die achter het oog het breedst is, aan de bovenkant afgezet door een donkere lijn langs de kruinzijde, en een dunne donkere oogstreep. Bovendelen warm kaneel- tot roodbruin, met de warmste tint op de stuit; in versleten zomerkleed grijzer. Onderdelen wit met warm okerbruine flanken. Korte handpenprojectie; de staart lijkt relatief lang en wordt vaak geheven. Poten bleek roze-bruin.
Verwarringssoorten
De kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus) en vooral zijn oostelijke vorm fuscus hebben een langere snavel, een korte, vage wenkbrauwstreep zonder donkere bovenrand en een langere handpenprojectie. De struikrietzanger (Acrocephalus dumetorum) is grijzer olijfbruin, met een korte wenkbrauwstreep die vooral vóór het oog zichtbaar is. De kleine spotvogel (Iduna caligata) heeft een kortere, bleke snavel zonder donkere punt, witte buitenste staartpennen en een fletser, zandkleuriger kleed; hij zit meer in droge struiken.
Leefgebied
In de broedgebieden rietkragen en ruigte langs steppemeren en rivieren. In het gidsgebied vooral in riet, tamarisken en ruigte langs waterzuiveringen, vijvers en irrigatiekanalen, in de buurt van moerasjes en rietvelden aan de kust.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In de literatuur een zeldzame dwaalgast: enkele waarnemingen in Koeweit, Bahrein, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten, vooral tussen augustus en januari, en een handvol in Oman en Israël; in Saoedi-Arabië pas met zekerheid zeer zelden of nog niet vastgesteld. Mogelijk een iets regelmatiger, maar onopgemerkte doortrekker in Irak en het noordoosten van het Arabisch Schiereiland. Broedt van de westelijke Zwarte Zee en de Kaspische Zee door de steppen van Centraal-Azië tot Mongolië en overwintert op het Indisch subcontinent.
Hoe en wanneer kijken
Een kans is er in de herfst bij de ringstations en waterzuiveringen van Koeweit, Bahrein en de Emiraten, waar de meeste vogels in de hand zijn vastgesteld. Een warmbruine karekiet met een korte snavel en een brede witte wenkbrauwstreep met een donkere bovenrand is het onderzoeken waard; fotografeer de snavelpunt en de vleugelformule.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In de West-Palearctis breidt de soort zich langzaam uit langs de Zwarte Zee. In het gidsgebied een zeldzame dwaalgast die door zijn gelijkenis met andere karekieten vermoedelijk onderwaarnomen wordt.
Wetenschappelijke naam
Acrocephalus agricola | (Jerdon, 1845)
Jerdon beschreef de soort in 1845 als Sylvia (acrocephalus) agricola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. agricola is Latijn voor 'boer' of 'landbouwer'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Nellore in India.

