Alle soorten › Zangvogels › Lachvogels › Iraakse babbelaar
Iraakse babbelaar | Argya altirostris
Iraq Babbler | Tordalino iraquí
De Iraakse babbelaar is de babbelaar van de Mesopotamische moerassen: een vrijwel tot Irak beperkte soort die in luidruchtige groepjes door riet en oeverstruweel langs Tigris en Eufraat trekt. De laatste decennia breidt hij zich langs de Eufraat stroomopwaarts uit, door Syrië tot in Turkije.
Geluid
Groepen houden voortdurend contact met hoge, dunne fluittonen en snelle, kwetterende trillers, zoals pie-pie-pie en een schel tsjiririri; bij onraad een raspend tsjerr.
Opname: Guy Kirwan — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
22 cm. Een kleine, slanke babbelaar met korte, ronde vleugels en een lange, getrapte staart. Bovendelen egaal bruingeel tot grijsbruin, de kruin hooguit vaag donker gestreept; onderdelen lichter, okerbruin, met een opvallend witachtige keel. De borst is slechts zwak gestreept. Snavel vrij kort, zwartachtig en licht gebogen; oog donker; poten donkerbruin. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De Afghaanse babbelaar (Argya huttoni), die in Zuid-Irak in droger terrein voorkomt, is groter en grijzer, met een duidelijk donker gestreepte kruin, rug en borstzijden, een lichte iris en een zwaardere snavel. Rietzangers als de basrakarekiet (Acrocephalus griseldis) zijn kleiner, met een korte, niet getrapte staart, en leven niet in groepen.
Leefgebied
Rietvelden en ander moerasriet, met name langs rivieroevers en in de Mesopotamische moerassen, en aangrenzend struweel van tamarisk, wilgen en populieren, rietkragen langs irrigatiekanalen en dadelpalmtuinen aan het water. Zoekt in groepen van tien tot twintig vogels laag in de vegetatie en op de grond naar insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Vrijwel endemisch voor Mesopotamië. In Irak in het zuiden en midden: de moerassen van Hawizeh, het Centrale moeras en Hammar, en langs Tigris en Eufraat noordwaarts tot voorbij Bagdad. Langs de Eufraat heeft de soort zich de laatste decennia door Oost-Syrië (onder meer bij Deir ez-Zor en Raqqa) naar het noorden uitgebreid. Daarbuiten in Zuidwest-Iran (Khuzestan) en sinds 2006 in Zuidoost-Turkije, bij Birecik aan de Eufraat.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het makkelijkst te vinden in de rietkragen en het oeverstruweel van de Mesopotamische moerassen, bijvoorbeeld rond Chibayish; de groepjes verraden zich door hun aanhoudende gefluit. In Syrië moet je langs de rietoevers van de Eufraat zoeken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De drooglegging van de Mesopotamische moerassen in de jaren 1990 kostte veel leefgebied, maar na het opnieuw onder water zetten vanaf 2003 is de soort weer algemeen in de herstelde delen. Droogte en dalende waterstanden in Tigris en Eufraat blijven een risico; tegelijk breidt het areaal zich langs de Eufraat uit.
Wetenschappelijke naam
Argya altirostris | (Hartert, 1909) (GBIF: Turdoides altirostris)
Hartert beschreef de soort in 1909 als Crateropus caudatus altirostris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Argya werd in 1831 ingevoerd door Lesson. Argya is door René Lesson gevormd naar Latijn argutus 'luidruchtig'. altirostris is Latijn voor 'met hoge snavel', van altus 'hoog' en rostrum 'snavel'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Al-Faw aan de monding van de Shatt al-Arab in Irak.

