Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Italiaanse mus

Italiaanse mus | Passer italiae

Italian Sparrow | Gorrión italiano

De Italiaanse mus is een stabiele hybride soort van huismus en Spaanse mus, ontstaan op het Apennijns schiereiland. In Noord-Afrika broedt de soort strikt genomen niet, maar van Oost-Algerije via Tunesië tot in Tripolitanië leven sinds ruim een eeuw mussen die door kruising van dezelfde twee ouders sterk op Italiaanse mussen lijken. In databanken en een deel van de literatuur staan ze onder deze naam; genetisch zijn het eigen, gemengde populaties.

Italiaanse mus (Passer italiae)
Foto: Omar Bariffi from Riva San Vitale, Svizzera — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Niet te onderscheiden van de huismus: hetzelfde tsjilp in reeksen vanaf daken en muren, hetzelfde nasale geratel bij alarm en hetzelfde groepsgekwetter op de slaapplaats.

Luister: ZangXC1182812

Opname: Guido — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Formaat en houding als een huismus, ongeveer 14–16 cm. Het mannetje van het Italiaanse type heeft een geheel kastanjebruine kruin en nek zonder grijs, zwarte teugels, een zuiver witte wang en een kleine, netjes begrensde zwarte bef op kin en keel. De onderdelen zijn effen vuilwit tot lichtgrijs, zonder de zwarte flankstrepen van de Spaanse mus. De rug is warm bruin met zwarte strepen, de vleugel heeft één witte streep, de snavel is zwart in de broedtijd. In Noord-Afrika variëren de mengvogels sterk: een deel heeft grijs in de kruin, een te grote bef of lichte flankstreping. Het vrouwtje is niet van een vrouwtje huismus te onderscheiden.

Verwarrings­soorten

De huismus (Passer domesticus) heeft een grijze kruin en een grauwe wang. De Spaanse mus (Passer hispaniolensis) deelt de kastanjebruine kruin en witte wang, maar heeft een grote bef en zware zwarte strepen op borst en flanken. In Algerije, Tunesië en Libië lopen de kenmerken van alle drie door elkaar; veel mannetjes zijn daar niet zinvol op naam te brengen en worden het best als mengvorm genoteerd.

Leefgebied

In Noord-Afrika vooral in steden en dorpen, waar de mengvogels net als huismussen in gaten in gebouwen nestelen, en in oases met dadelpalmtuinen, vooral waar Spaanse mussen ontbreken. Foerageert in tuinen, op erven, markten en in akkers rond de bebouwing. In Italië de gewone stadsmus van pleinen, dorpen en olijfgaarden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Mengpopulaties met een Italiaans voorkomen vormen een diffuse hybridezone van Oost-Algerije (onder meer de hoogvlakten bij Djelfa en de oases van Biskra en de Zibans) door Tunesië tot in het oosten van Tripolitanië in Libië; in Marokko en Egypte zijn het huismussen en Spaanse mussen. Het eigenlijke areaal van de Italiaanse mus omvat het Apennijns schiereiland, Sicilië, Corsica, Kreta en Malta; de populatie van Lampedusa staat genetisch dicht bij de Algerijnse mengvogels. Vogels uit Italië zijn in het gidsgebied niet met zekerheid vastgesteld.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bekijk in Tunesische stadjes en in Algerijnse oases de mannetjes op de daken: naast typische huismussen en Spaanse mussen zitten er vogels met een kastanjebruine kruin, een witte wang en een kleine bef. Noteer zulke vogels als Italiaans type of mengvorm, met een foto, en niet als zekere Italiaanse mus.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar op de Rode Lijst, door een snelle achteruitgang in Italië, waar het verlies van nestplaatsen in gebouwen, minder voedsel in de stad en landbouwintensivering een rol spelen. De Noord-Afrikaanse mengpopulaties zijn talrijk en vallen in feite buiten deze beoordeling.

Wetenschappelijke naam

Passer italiae | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Fringilla Italiae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. italiae is Latijn voor 'van Italië', het schiereiland waar de soort vrijwel geheel thuishoort. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.