Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Socotramus
Socotramus | Passer insularis
Socotra Sparrow | Gorrión de Socotora
De mus van Socotra: een endemische soort van de Socotra-archipel die er overal voorkomt waar een struik, een dorp of een put is, van de kustvlakte tot hoog in het Hajhir-gebergte. Met naar schatting meer dan 200.000 vogels op het hoofdeiland is het een van de talrijkste landvogels van de archipel.
Geluid
Een typisch mussen-tsjilp en tsjiep, wat voller en metaliger dan bij de huismus, en een zacht gekwetter in groepen; bij alarm een snel, droog geratel.
Opname: Mischa Keijmel — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 14–15 cm, van het formaat van een huismus, met een tamelijk zware zwarte of donkere snavel. Het mannetje heeft een grijze kruin en nek, een brede, warm kastanjebruine band van achter het oog langs de kopzijde naar de nek, zwarte teugels, veel zwart rond de oorstreek, een witte wang en een zwarte bef die tot op de bovenborst doorloopt. De mantel is bruin met zware zwarte strepen, de stuit grijs, de onderdelen lichtgrijs en de vleugel draagt een smalle witte streep. Het vrouwtje is effen grijsbruin met een lichte, bleekbruine wenkbrauwstreep, een gestreepte rug en vuilwitte onderdelen; jonge vogels lijken op het vrouwtje. Vogels van Samha en Darsa zijn duidelijk kleiner.
Verwarringssoorten
Op Socotra zijn weinig verwarringskansen. De Abd-al-Kurimus (Passer hemileucus), van het eiland Abd al-Kuri in dezelfde archipel, is kleiner en bleker, met zandig rossige in plaats van kastanjebruine kopzijden, zandig gele onderdelen, minder zwart op de oorstreek en een bef die tot de keel beperkt blijft. Een huismus (Passer domesticus) heeft eveneens een kastanjebruine band van achter het oog tot in de nek naast een grijze kruin, maar een grauwe wang en een smallere koptekening. Vrouwtjes kunnen aan een vrouwtje van de Socotragoudvleugelvink (Rhynchostruthus socotranus) doen denken, maar die heeft een veel zwaardere snavel en gele vleugelvlekken.
Leefgebied
Vrijwel alle open en halfopen terrein met struiken en bomen: croton-struweel en acaciaveld van de kustvlakte, droge rivierbeddingen met verspreide bomen, rotsige hellingen met drakenbloedbomen en wierookbomen, tot op de hoogvlakten van het Hajhir-gebergte. Ook talrijk in en rond dorpen, op erven en bij putten, waar hij op afval en graan foerageert. Nestelt in boomholten, rotsspleten, muren en dakranden, en bouwt soms vrijstaande nesten in struiken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Alleen in de Socotra-archipel (Jemen): talrijk op het hoofdeiland Socotra, en kleinere populaties op Samha en Darsa, waar de vogels kleiner zijn en wellicht een eigen ondersoort vormen. Op Abd al-Kuri vervangen door de Abd-al-Kurimus. Buiten de archipel niet bekend.
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Socotra is hij niet te missen: bij elk dorp, elke kampeerplek en elke put in de Dixam- en Homhil-gebieden komen groepjes om kruimels en water. Een mannetje in broedkleed met de kastanjebruine kopband zie je het best bij zonsopkomst op een rotsblok of een drakenbloedboom.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is wijdverspreid en talrijk op Socotra; de kleine populaties op Samha en Darsa zijn kwetsbaar door hun geringe omvang. Bedreigingen op termijn zijn overbegrazing door geiten en de mogelijke vestiging van exoten zoals de huiskraai, die in 2009 op Socotra werd uitgeroeid.
Wetenschappelijke naam
Passer insularis | Sclater & Hartlaub, 1881
Sclater & Hartlaub beschreef de soort in 1881 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. insularis is Latijn voor 'van een eiland', naar Socotra. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Socotra in Jemen.


