Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Kaspische plevier

Kaspische plevier | Anarhynchus asiaticus

Caspian Plover | Chorlito asiático

Een slanke, hoogpotige plevier van de Centraal-Aziatische steppen die het gidsgebied tweemaal per jaar doortrekt op weg naar Oost- en zuidelijk Afrika. In het voorjaar rusten groepjes in prachtkleed op de woestijnvlakten en akkers van Irak, Koeweit en Arabië, vaak ver van water.

Kaspische plevier (Anarhynchus asiaticus)
Foto: Kudaibergen Amirekul — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, kort tjup of kwit, vaak in de vlucht; in groepen een zacht, fluitend gekwetter.

Luister: RoepXC399779

Opname: Stephanie Dolrenry — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Slank, met lange poten, lange vleugels en een dunne zwarte snavel. Het mannetje in prachtkleed heeft een witte kop met een brede witte wenkbrauwstreep, een bruine kruin en oorvlek en een brede kastanjebruine borstband die onderaan door een smalle zwarte rand van de witte buik gescheiden is. Vrouwtjes en vogels in winterkleed hebben een volledige grijsbruine borstband en een bleke, beige wenkbrauwstreep. De bovendelen zijn egaal bruin, de poten grijsgroen tot geelachtig. In vlucht een smalle witte vleugelstreep, vooral aan de basis van de handpennen, en tenen die voorbij de staart steken.

Verwarrings­soorten

De woestijnplevier (Anarhynchus leschenaultii) is gedrongener, met een zwaardere snavel, kortere poten en alleen borstvlekken of een smalle band; ze staat bovendien vooral op slik. De morinelplevier (Eudromias morinellus) heeft een witte band over de borst en een wenkbrauwstreep die in de nek samenkomt. De tibetaanse plevier (Anarhynchus atrifrons) is kleiner en heeft een kortere, stompere snavel en een zwart masker in prachtkleed.

Leefgebied

Op de trek droge, open grond: korte steppe, stenige woestijnvlakten, randen van zoutvlakten, geploegde en bevloeide akkers, vliegvelden en renbanen; minder op slikken en stranden. Rust vaak in groepjes op kaal terrein, waar de vogels door hun zandkleur verrassend moeilijk te zien zijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

De trek loopt vooral door het oosten van het gebied. In Irak, Koeweit en Oost- en Centraal-Saoedi-Arabië een vrij algemene doortrekker, in het voorjaar soms in groepen van tientallen; ook regelmatig in Bahrein, Qatar, de Emiraten, Oman (inclusief Dhofar) en Jemen. In Israël en Jordanië een schaarse doortrekker, vooral in het voorjaar in de Arava en rond Eilat; in Egypte schaars, vooral in het oosten. Zeldzaam in Syrië en Libanon, en in Libië, Tunesië, Algerije en Marokko een dwaalgast. Daarbuiten broedt hij in de steppen van de Kaspische Zee en Kazachstan tot Noordwest-China en overwintert hij in Oost- en zuidelijk Afrika.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste van half maart tot eind april in Koeweit en Oost-Saoedi-Arabië, na regen, op kale woestijnvlakten, cirkelakkers en grasvelden; scan rustende groepjes zorgvuldig, want ze vallen pas op als ze bewegen. In Israël loont het om in het voorjaar de akkers van de Arava en de velden rond Eilat af te zoeken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Over de aantallen is weinig bekend; het omploegen van steppe in het broedgebied en mogelijk jacht onderweg zijn de voornaamste risico's.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus asiaticus | (Pallas, 1773) (GBIF: Charadrius asiaticus)

Pallas beschreef de soort in 1773 als Charadrius asiaticus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. asiaticus is Latijn voor 'Aziatisch', naar de broedgebieden in de steppen van Centraal-Azië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de zoutmeren van de Centraal-Aziatische steppe.