Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kemphaan
Kemphaan | Calidris pugnax
Ruff | Combatiente
Een steltloper met een opvallend groot verschil tussen de seksen: de mannetjes zijn veel groter dan de vrouwtjes en dragen in het voorjaar kragen en oorpluimen in wisselende kleuren. In het gidsgebied is hij een van de talrijkste doortrekkers, die in maart en april in groepen over de Sahara en de Arabische woestijnen trekt en dan aan elke plas, rioolvijver en elk bevloeid veld kan opduiken.
Geluid
Op doortrek en in de winter vrijwel stil; soms een zacht, laag kuk of gruu bij het opvliegen.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Middelgroot, met een kleine kop op een vrij lange hals, een korte, licht gebogen snavel en vrij lange poten die oranje, geel of groenig kunnen zijn. Mannetjes zijn veel groter dan vrouwtjes. Buiten de broedtijd zijn beide seksen grijsbruin met donkere centra en lichte randen aan de veren, waardoor de bovendelen geschubd ogen; vaak een lichte zone rond de snavelbasis. In het voorjaar krijgen mannetjes een kraag en oorpluimen in zwart, wit, rossig of gebandeerd; op doortrek door het gebied zie je die meestal nog maar half ontwikkeld. Juvenielen zijn warm bruingeel met regelmatig geschubde bovendelen. In vlucht een smalle witte vleugelstreep en twee grote witte ovale vlekken aan weerszijden van de donkere stuit.
Verwarringssoorten
Een juveniel vrouwtje lijkt soms op een tureluur (Tringa totanus) of een bosruiter (Tringa glareola), maar de kemphaan heeft een kortere snavel, een kleinere kop, geschubde in plaats van gestippelde bovendelen en in vlucht de witte ovale stuitvlekken. De gestreepte strandloper (Calidris melanotos), een dwaalgast uit Noord-Amerika en Siberië, heeft een scherp afgezette gestreepte borst en een geheel donkere middenstreep over de stuit. De blonde ruiter (Calidris subruficollis), eveneens dwaalgast, is kleiner, egaal bruingeel onder en heeft geen witte stuitvlekken.
Leefgebied
Ondiep zoet en brak water met modderige randen: ondergelopen akkers en bevloeiingsvelden, moerassen, rioolwaterplassen, stuwmeren, rijstvelden en de randen van zoutmeren; ook vochtig grasland en pivotvelden in de woestijn. Komt minder op open getijdenvlakten dan de meeste strandlopers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Op doortrek in het hele gebied, van de Marokkaanse kust en de oases van de Sahara tot de Golf: in het voorjaar trekken grote aantallen over Noord-Afrika, de Nijlvallei, de Sinaï, Israël (Jordaanvallei, Eilat) en Jordanië, en de herfsttrek loopt breed over het Arabisch Schiereiland, Irak en de Levant. Overwintert in Marokko (vooral de Atlantische laagvlakten en Merja Zerga), Noord-Algerije, Tunesië, de Egyptische Nijldelta en Nijlvallei, Irak (de Mesopotamische moerassen), en verspreid in Saoedi-Arabië, de Golfstaten, Oman en Jemen, waar bevloeide landbouwgronden en rioolvijvers in de woestijn veel vogels trekken. Daarbuiten broedt hij van Noordwest-Europa tot Oost-Siberië en overwintert hij vooral in de Sahel, Oost- en Zuid-Afrika en Zuid-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In maart en april zijn de akkers en visvijvers van de Jordaan- en Bet Sjeanvallei en de rioolvijvers rond Eilat goede plekken om groepen te zien die net uit Afrika komen, met mannetjes waarvan de kragen zich beginnen te vormen. In de Golfstaten zitten 's winters groepen op pivotvelden en grasvelden, onder meer rond Al Wathba en in de Al Ain-regio.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar de broedpopulaties in West-Europa zijn sterk ingestort door intensivering van de landbouw, en het zwaartepunt van de trekroute verschuift naar het oosten. In het gidsgebied wordt hij bedreigd door het droogvallen van wetlands, jacht op doortrekkers en vergiftiging op landbouwgronden; tegelijk bieden irrigatieprojecten en rioolwaterplassen in de woestijn nieuwe pleisterplaatsen.
Wetenschappelijke naam
Calidris pugnax | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa Pugnax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. pugnax is Latijn voor 'strijdlustig', naar het schijngevecht van de mannetjes op de baltsplaats. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


