Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kanoet

Kanoet | Calidris canutus

Red Knot | Correlimos gordo

Een gedrongen, middelgrote strandloper die in dichte groepen op uitgestrekte getijdenvlakten foerageert. In het gidsgebied is hij sterk geconcentreerd: grote aantallen overwinteren in de baai van Dakhla, de golf van Gabès en op Barr al Hikman in Oman, terwijl hij langs de meeste andere kusten maar spaarzaam verschijnt.

Kanoet (Calidris canutus)
Foto: (Photo: Jan van de Kam) — CC BY 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, nasaal kuut of wutt; groepen maken een laag gemurmel.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1162054

Opname: Arend Wassink — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Stevig en kortpotig, met een rechte zwarte snavel van ongeveer koplengte en grijsgroene poten. In winterkleed egaal lichtgrijs boven met fijne donkere schachtstrepen en lichte veerranden, wit onder met fijn gestreepte borst en flanken, en een vage witte wenkbrauw. In broedkleed zijn kop en onderdelen steenrood en de bovendelen zwart, rood en zilvergrijs gevlekt. Juvenielen hebben duidelijk geschubde grijze bovendelen en een licht perzikkleurige borst. In vlucht een smalle witte vleugelstreep en een lichtgrijze, fijn gebandeerde stuit.

Verwarrings­soorten

De grote kanoet (Calidris tenuirostris) is groter, met een langere, licht gebogen snavel, zwaardere zwarte vlekken op de borst en een wittere stuit; in broedkleed is de borst zwart gevlekt in plaats van rood. De bonte strandloper (Calidris alpina) is kleiner en heeft een langere, gebogen snavel en een donkere middenstreep over de stuit. De drieteenstrandloper (Calidris alba) is veel witter met een zwarte boegvlek. In broedkleed kan hij aan een rosse grutto (Limosa lapponica) doen denken, die veel groter en langsnaveliger is.

Leefgebied

Uitgestrekte getijdenvlakten met slik en zand, vooral waar schelpdieren talrijk zijn, en zeegrasvelden in ondiepe baaien; rust bij hoogwater in dichte groepen op zandbanken en eilandjes. Zelden landinwaarts.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Marokko schaars langs de Atlantische kust, maar de baai van Dakhla in West-Sahara houdt 's winters duizenden vogels, de grootste concentratie aan Afrika's Atlantische kust ten noorden van Mauritanië. In Tunesië overwinteren grote aantallen in de golf van Gabès en rond Kerkennah en Djerba. Langs de Libische en Egyptische Middellandse Zeekust en in Israël en Libanon een schaarse doortrekker. In Arabië is Barr al Hikman (Oman) verreweg de belangrijkste plek; elders langs de Golf (Emiraten, Qatar, Bahrein, Koeweit), de Rode Zee en in Jemen schaars tot vrij schaars. Daarbuiten broedt hij op de hoge-arctische toendra van Siberië, Noord-Amerika en Groenland en overwintert hij langs de kusten van West-Europa, West- en Zuid-Afrika, Zuid-Azië, Australazië en Amerika.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Tel bij afgaand water de dichte groepen in de golf van Gabès of in de baai van Dakhla; daar zitten kanoeten vaak tussen bonte strandlopers en rosse grutto's. In april en mei verschijnen de eerste vogels in steenrood broedkleed, kort voordat ze naar het noorden vertrekken.

Staat van instandhouding

Gevoelig. Meerdere ondersoorten nemen sterk af door verlies van getijdenvlakten op trekroutes, overbevissing van schelpdieren en veranderingen op de arctische broedgebieden. De Westafrikaanse winterpopulatie, waartoe de vogels van Dakhla horen, is afhankelijk van een klein aantal grote wetlands; de golf van Gabès en Barr al Hikman zijn van internationaal belang.

Wetenschappelijke naam

Calidris canutus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa Canutus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. canutus wordt vanouds in verband gebracht met koning Knoet, naar het verhaal dat hij het tij gebood en naar het foerageren van de kanoet langs de vloedlijn, maar historische grond daarvoor ontbreekt. Een andere verklaring is dat de naam de knorrende roep nabootst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.