Alle soorten › Flamingo's › Flamingo's › Kleine flamingo

Kleine flamingo | Phoeniconaias minor

Lesser Flamingo | Flamenco enano

De kleinste flamingo, met een donkere snavel die op afstand zwart lijkt. In het gidsgebied een gast uit de grote Afrikaanse populaties, die meestal in kleine aantallen tussen flamingo's opduikt. In de zomer van 2025 werd voor het eerst in Noord-Afrika een broedend paar gevonden, in een flamingokolonie in de zoutpannen van Monastir in Tunesië.

Kleine flamingo (Phoeniconaias minor)
Foto: taken by myself — CC BY-SA 3.0 de · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, murmelend kwirrik en een ganzachtig getoeter, hoger dan bij de flamingo. Grotere groepen produceren een aanhoudend gemurmel.

Luister: ZangXC1091961

Opname: Boyancé — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Duidelijk kleiner en compacter dan de flamingo, met kortere hals en poten. Volwassen vogels dieper roze, met karmijnrode vlekken op de dekveren en zwarte slagpennen. De snavel is donker karmijnrood met een zwarte punt en oogt op afstand egaal donker; het oog en de oogring zijn rood, de poten donkerrood. Jonge vogels zijn grijsbruin met een donkere snavel. Foerageert met de snavelpunt net onder het wateroppervlak, lopend of zwemmend.

Verwarrings­soorten

De flamingo (Phoenicopterus roseus) is veel groter, bleker, met een roze snavel met alleen een zwarte punt en roze poten. Let in een gemengde groep vooral op de snavelkleur en het kleinere, roziger postuur; jonge flamingo's hebben een grijze, geen donkere snavel. In parken en dierentuinen gehouden flamingo's van andere soorten kunnen ontsnappen; let op ringen.

Leefgebied

Ondiepe zoute en brakke lagunes, zoutpannen, getijdenvlakten en sebkha's, vaak in gezelschap van flamingo's. Het voedsel bestaat vrijwel uitsluitend uit blauwalgen (Arthrospira) en kiezelwieren, die met fijne lamellen uit de bovenste waterlaag worden gezeefd.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Marokko een schaarse maar vrij regelmatige gast, vooral in het zuiden (Khnifiss, de baai van Dakhla) en bij Merja Zerga, waarschijnlijk afkomstig uit West-Afrika. In Tunesië en Oost-Algerije sinds 2019 steeds vaker gezien, met de eerste broedpoging in 2025 bij Monastir; deze vogels komen vermoedelijk uit Oost-Afrika. Aan de zuidelijke Rode Zee onregelmatig in Jemen (de Tihama en de lagunes van Aden) en aan de kust van Saudi-Arabië bij Jizan, waar in 2018 ruim honderd vogels samen werden gezien. Zeldzaam in Egypte, Oman en de Verenigde Arabische Emiraten. Daarbuiten in de riftmeren van Oost-Afrika, zuidelijk Afrika, West-Afrika en in India en Pakistan.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bekijk elke grote flamingogroep systematisch op donkere snavels, het best in de zuidelijke lagunes van Marokko, de zoutpannen van Tunesië of de kust bij Jizan. Vroeg of laat op de dag is het licht het gunstigst en staan de vogels dichter bij de oever.

Staat van instandhouding

Gevoelig. Wereldwijd broedt de soort op een handvol meren, zodat een mislukt broedseizoen een groot deel van de populatie raakt. Waterwinning, sodawinning, verstoring van kolonies en botsingen met hoogspanningsleidingen zijn de belangrijkste knelpunten. In het gidsgebied gaat het om weinig vogels, maar de recente toename in Noord-Afrika en de broedpoging in Tunesië maken de zoutpannen daar van belang.

Wetenschappelijke naam

Phoeniconaias minor | (Geoffroy Saint-Hilaire, 1798)

Geoffroy Saint-Hilaire beschreef de soort in 1798 als Phoenicopterus minor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phoeniconaias werd in 1869 ingevoerd door Gray. Phoeniconaias komt van het Griekse phoinix, 'purperrood', en naias, 'waternimf' — een 'purperrode waternimf', naar de roze kleur en de gebondenheid aan water. minor is Latijn voor 'kleiner', ter onderscheiding van de grotere, algemenere flamingo. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.