Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Barbarijse frankolijn
Barbarijse frankolijn | Pternistis bicalcaratus
Double-Spurred Spurfowl | Francolín biespolado
Een bruin, gestreept hoen van tropisch West-Afrika, met in het gidsgebied één klein, geïsoleerd voorkomen in Marokko ten zuiden van Rabat, de enige vogels ten noorden van de Sahara. Daar vormen ze een eigen ondersoort, P. b. ayesha, die als ernstig bedreigd geldt. In het eerste licht van maart verraadt een hard, schrapend gekras uit het struikland zijn aanwezigheid.
Geluid
Het beste spoor. Van een steen, aardhoop of lage tak een hard, schor en ver dragend gekras van drie tot vijf ruwe lettergrepen, als een roestige zaag, in reeksen herhaald, vooral bij zonsopgang en tegen zonsondergang. Tellingen gebruiken afgespeelde roep in de eerste dagen van maart, als de roepactiviteit het hoogst is.
Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Slank, hoogpotig hoen in bruin en room. Een lange roomwitte wenkbrauwstreep met een donkere oogstreep eronder; wang en keel bleek, kruin kastanjebruin. Bovendelen bruin met lichte schachtstrepen, onderdelen romig met donkere druppels en pijlpunten, het dichtst op de borst. Snavel donker, poten groengrijs. Rechte houding met lange hals. De haan draagt twee sporen aan elke loop; de hen is kleiner en heeft er meestal geen.
Verwarringssoorten
In Marokko leeft hij naast de Barbarijse patrijs (Alectoris barbara), die grijs is met een kastanjebruine, witgespikkelde halskraag, rode snavel en rode poten, en zonder streping. De kwartel (Coturnix coturnix) is veel kleiner en vliegt op in plaats van weg te lopen. Andere frankolijnen van het gidsgebied, de zwarte frankolijn (Francolinus francolinus) en de grijze frankolijn (Ortygornis pondicerianus), komen alleen in het oosten voor, duizenden kilometers verder.
Leefgebied
Matorral (mediterraan struweel) van dwergpalm, jujube (doornige Noord-Afrikaanse struik), mastiek en wilde olijf, met open plekken en zandpaden; hoe meer opgaande struiken en lage bomen, hoe meer vogels. Verder de randen van kurkeikenbos en de graanakkers, braakstroken en stoppels tussen de struikvlakken, waar hij foerageert op zaden, knollen en insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied alleen in Marokko, op het plateau ten zuiden van Rabat, in de streek van Sidi Yahya Zaër, Sidi Bettache en Benslimane. In de twintigste eeuw was het areaal groter en omvatte het ook het bos van de Maâmora; een afzonderlijke groep in de Souss verdween in de jaren tachtig. Uitgezette vogels uit een fokprogramma leven inmiddels ook weer in de Maâmora en in het Nationaal Park Souss-Massa. Buiten het gidsgebied in de Sahel en de savannen van West-Afrika, van Senegal oostwaarts tot Kameroen.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Sta begin maart voor zonsopgang op een zandweg in het matorral bij Benslimane of Sidi Bettache en luister eerst een half uur zonder te lopen. Zoek daarna de open grond en de lage stenen tussen de dwergpalmpollen af: bij het eerste zonlicht komen de vogels op een verhoging staan. Loop niet het struweel in; ze lopen sneller weg dan jij.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd dankzij de grote West-Afrikaanse stand, maar de Marokkaanse ondersoort is teruggedrongen tot een klein gebied en geldt als ernstig bedreigd. Ontginning van matorral voor graan, begrazing en jacht zijn de knelpunten. In een fokinrichting uitgebroede vogels uit eieren van de reserve van Aïn Sferjla worden sinds 2011 uitgezet in de Maâmora, op het centrale plateau en in Souss-Massa.
Wetenschappelijke naam
Pternistis bicalcaratus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tetrao bicalcaratus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pternistis werd in 1832 ingevoerd door Wagler. Pternistis komt van het Griekse pternistēs 'iemand die met de hiel schopt', van pterna 'hiel', naar de sporen aan de poten. bicalcaratus is Latijn, van bi 'twee' en calcar, genitief calcaris, 'spoor': de haan draagt aan elke poot twee sporen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.

