Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Knobbelmeerkoet

Knobbelmeerkoet | Fulica cristata

Red-Knobbed Coot | Focha moruna

De Afrikaanse tegenhanger van de meerkoet, die in het gidsgebied vrijwel alleen in Marokko en het uiterste noordoosten van Algerije voorkomt. Marokko herbergt de belangrijkste populatie van het Middellandse Zeegebied, verdeeld over de merja's van de Atlantische kustvlakte en de meren van de Middenatlas.

Knobbelmeerkoet (Fulica cristata)
Foto: Fidel León Darder The original uploader was Dauphine at Catalan Wikipedia. — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, tweelettergrepig kloek-kloek of hoe-hoek, lager en ronder dan de meerkoet, en een kreunend krok. Het scherpe, hoge pix van de meerkoet ontbreekt.

Luister: RoepXC1177065

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Lijkt sterk op de meerkoet, maar iets groter, met een langere hals en een meer rechte, hoekige rug. Het witte voorhoofdsschild eindigt aan de bovenkant rond en loopt niet als een punt de kruinveren in; erboven twee donkerrode knobbels die in de broedtijd opzwellen en buiten de broedtijd klein en lastig te zien zijn. Het witte schild en de snavel hebben vaak een blauwachtige zweem. In vlucht geen witte achterrand aan de vleugel. Juvenielen zijn grijsbruin als jonge meerkoeten.

Verwarrings­soorten

De meerkoet (Fulica atra) is de enige echte valkuil: let op de spitse punt van het schild tussen snavel en kruin, de witte achterrand van de armvleugel in vlucht en de ontbrekende knobbels. Bij juvenielen is onderscheid vaak onmogelijk. Het waterhoen (Gallinula chloropus) is kleiner, met een rood schild en een witte flankstreep.

Leefgebied

Ondiepe, voedselrijke zoetwatermeren en -moerassen met veel ondergedoken waterplanten en een rietrand, vaak tijdelijke of schommelende wateren: de merja's van de Gharb, natuurlijke meren in de Middenatlas en ondiepe stuwmeren. In droge jaren verplaatst hij zich naar permanente wateren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Marokko: wijdverbreid maar plaatselijk, vooral in de merja's van de Atlantische kustvlakte (Merja Zerga, Sidi Bou Ghaba, Bas-Loukkos, Merja Fouarate), op de meren van de Middenatlas (onder meer Dayet Aoua en Aguelmam Afennourir) en op ondiepe stuwmeren; zuidwaarts tot in Souss-Massa. Algerije: kleine aantallen in het noordoosten, op de meren rond El Kala (Lac Tonga en Lac Oubeïra). In Tunesië zeldzaam en onregelmatig. Buiten het gebied een kleine populatie in Zuid-Spanje en wijdverbreid in Oost- en zuidelijk Afrika en op Madagaskar.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De Middenatlasmeren bij Ifrane en de Merja Zerga zijn de beste plekken; in maart en april zijn de knobbels het grootst en geven de vogels zich het makkelijkst te kennen. Zoek in een groep meerkoeten naar vogels met een rond in plaats van puntig schild en kijk bij opvliegen naar de vleugelachterrand. Een telescoop is onmisbaar.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Afrika ten zuiden van de Sahara talrijk. De Noord-Afrikaanse populatie is klein en schommelt sterk met de neerslag; ze lijdt onder droogte, het droogvallen en ontwateren van merja's, overbegrazing van oevers en verstoring. In Spanje en Marokko geldt de soort als bijzonder kwetsbaar.

Wetenschappelijke naam

Fulica cristata | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fulica werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Fulica is het Latijnse woord voor 'meerkoet'. cristata is Latijn voor 'gekuifd', van crista 'kam', naar de twee rode knobbels boven het voorhoofdschild. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Madagaskar.