Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Koerdische tapuit
Koerdische tapuit | Oenanthe xanthoprymna
Kurdish Wheatear | Collalba colirroja
De Koerdische tapuit is een kleine, gedekt gekleurde tapuit met een roestrode stuit en staartbasis, die broedt in de bergen van Zuidoost-Anatolië, Noord-Irak en West-Iran. In de winter trekt hij naar Arabië en Noordoost-Afrika en passeert hij schaars de Levant; hij lijkt sterk op de roodstaarttapuit, waarmee hij lang als één soort werd behandeld.
Geluid
De roep is een hard tsjak-tsjak, vaak ingeleid door een dun hwiet; in de winter is dat meestal het enige geluid. De zang is een korte, snelle, krassende strofe met een paar heldere fluittonen en wat nabootsing, van een rotsblok of in een korte zangvlucht.
Opname: Kasper Wieck — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14–15 cm. Klein en kortstaartig. Bovendelen egaal grijsbruin, de kruin grijzer, met een smalle witte wenkbrauwstreep. Het mannetje in broedkleed heeft een zwarte kin, keel en zwart masker dat scherp afsteekt tegen een witte borst en buik; flanken en onderstaartdekveren zijn oranjeroestig. Stuit en staartbasis roestrood, met zwarte middenveren en een brede zwarte eindband: een omgekeerde T op een roestrode ondergrond. Vleugels donkerbruin, zonder wit. Vrouwtjes en vogels in winterkleed hebben in plaats van het zwarte masker een donkerbruine wangvlek met een witte keel eronder en zijn van onderen beiger.
Verwarringssoorten
De roodstaarttapuit (Oenanthe chrysopygia) heeft dezelfde roestrode stuit en staart, maar nooit zwart in de keel en egaal grijsbeige onderdelen zonder harde grens met het oranje van de flanken; vrouwtjes en wintervogels zijn vaak niet met zekerheid te scheiden. De roodstuittapuit (Oenanthe moesta) heeft ook een roestrode stuit, maar een vrijwel geheel zwarte staart en bij het mannetje een grijswitte kop. De gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) en de zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros) zijn slanker en hebben een geheel roestrode staart met alleen donkere middenveren, die ze voortdurend laten trillen. De tapuit (Oenanthe oenanthe) en de izabeltapuit (Oenanthe isabellina) hebben een witte stuit.
Leefgebied
Broedt op droge, stenige en rotsige berghellingen met verspreide struiken, tussen zo'n 1.000 en 2.500 m. In de winter op rotsige heuvels, in kloven, wadi's en op stenige vlakten met wat struiken, vaak aan de voet van rotswanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedvogel in het bergland van Koerdistan in Noord-Irak, plaatselijk tot in het uiterste noordoosten van Syrië. Op doortrek schaars in Irak, Koeweit, Jordanië en Israël, vooral in oktober – november en februari – maart, met elke winter een klein aantal in de Arava, de Negev en rond de Dode Zee. Overwintert verder schaars in het westen en zuiden van Saoedi-Arabië, in Jemen en langs de Rode Zeekust van Egypte. Daarbuiten broedt hij in Zuidoost-Turkije en West-Iran en overwintert hij ook in Soedan en Eritrea.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Israël is de kans het grootst in de wintermaanden in de bergen rond Eilat en in de rotsige wadi's van de Arava. In het broedgebied in Iraaks Koerdistan zit hij in april en mei zingend op rotsblokken op de stenige hellingen. Fotografeer de keel en de buik: alleen een mannetje met zwarte keel is zeker op naam te brengen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied beperkt broedgebied in Noord-Irak, waar weinig over aantallen bekend is; in de overwinteringsgebieden overal schaars. Het onderscheid met de roodstaarttapuit maakt de verspreiding in de winter onzeker.
Wetenschappelijke naam
Oenanthe xanthoprymna | (Hemprich & Ehrenberg, 1833)
Hemprich & Ehrenberg beschreef de soort in 1833 als Saxicola xanthoprymna; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. xanthoprymna is Grieks, van xanthos 'geel, rossig' en prymna 'achtersteven', naar de roestrode stuit. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nubië.


