Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Taigavliegenvanger

Taigavliegenvanger | Ficedula albicilla

Taiga Flycatcher | Papamoscas de la taiga

De taigavliegenvanger is de oostelijke tegenhanger van de kleine vliegenvanger: hij broedt in de Siberische taiga en overwintert in Zuid- en Zuidoost-Azië. In het gidsgebied is hij een dwaalgast die vrijwel alleen in het oosten van Arabië is gezien, vooral als overwinteraar in de parken van de Emiraten.

Taigavliegenvanger (Ficedula albicilla)
Foto: Lawrence Hylton — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een droog, krekelachtig ratelend trrrr, harder en vlakker dan dat van de kleine vliegenvanger, en een kort, scherp tsjek. Overwinteraars zijn vaak stil.

Luister: ZangXC1024459

Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm. Vorm en gedrag als de kleine vliegenvanger: klein en rond, met een grote kop, een groot oog in een smalle lichte oogring en een staart die steeds wordt opgewipt, met grote witte vlakken aan de basis. Let op drie details: de bovenstaartdekveren zijn gitzwart, even zwart als de staart; de snavel is volledig donker; en borst en flanken zijn koeler grijs, zonder warme beige waas. Het mannetje in broedkleed heeft een kleine, helder oranje keelvlek, scherp afgezet en omzoomd door grijs op de borst; in de winter is de keel bij de meeste vogels vuilwit. Vrouwtjes en eerstejaars zijn grijsbruin boven en grijswit onder.

Verwarrings­soorten

De kleine vliegenvanger (Ficedula parva), in het oosten van het gebied een geregelde wintergast, is de enige echte verwarringssoort. Die heeft bruinere bovenstaartdekveren dan de staart, een lichte basis aan de ondersnavel en een warmere, beige getinte borst; het mannetje heeft een grotere, doffere oranje keel die op de bovenborst doorloopt. Ook de roep helpt: het ratelen van de kleine vliegenvanger is warmer en minder droog. Een determinatie berust het best op foto’s van stuit en snavel en op opnamen van de roep.

Leefgebied

In de winter in parken, tuinen en bosjes met hoge bomen en dichte struiken, vaak in de buurt van water en groene gazons; in Oman ook in oases. Gedraagt zich als de kleine vliegenvanger, laag in het blad en met korte uitvallen naar vliegende insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In de Emiraten een zeldzame wintergast met meerdere gevallen, waarbij vogels vaak weken tot maanden in hetzelfde park verblijven. In Koeweit minstens twee gevallen (het tweede in december 2013) en in Oman enkele gevallen. Uit de rest van het gebied zijn geen zekere gevallen bekend; een vogel in Saoedi-Arabië, Qatar, Bahrein of Israël ligt in de lijn der verwachting. Daarbuiten broedt hij van de Oeral door de Siberische taiga tot het Verre Oosten en Noordoost-China, en overwintert hij van Noord-India en Nepal tot Zuidoost-Azië en Zuid-China.

Hoe en wanneer kijken

Controleer in de winter iedere kleine vliegenvanger in de parken van Dubai en Abu Dhabi: fotografeer de stuit en de onderkant van de snavel en neem de roep op. Meld een waarneming bij de nationale zeldzaamhedencommissie.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Als dwaalgast in het gidsgebied zonder eigen beschermingsvraagstuk. De soort werd lang als ondersoort van de kleine vliegenvanger beschouwd; door de gelijkenis zijn gevallen in het gebied mogelijk ondervertegenwoordigd.

Wetenschappelijke naam

Ficedula albicilla | (Pallas, 1811)

Pallas beschreef de soort in 1811 als Muscicapa Albicilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ficedula werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Ficedula is Latijn voor een klein vijgenetend vogeltje, van ficus 'vijg'; men meende dat het zich in de winter in een zwartkop veranderde. albicilla betekent 'witstaartig', van Latijn albus 'wit' en cilla 'staart', naar de witte staartbasis. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Daurië in Siberië.